tingen enz. partij getrokken wordt. Indien zulks niet geschiedt, dus niet aan een van deze beide hoofdvoorwaarden of aan geen van beiden is voldaan, dan is zulk een plan weinig minder dan een ramp. Het is dus vóór alles geboden, het maken van het plan op te dragen aan een daartoe bevoegde, die niet alleen een goed technicus, doch ook een kunstenaar moet zijn en bovendien van „town planning” in binnen- en buitenland grondige studie moet hebben gemaakt. Het verdient aanbeveling, zeer zeker in landelijke gemeenten, om bij het ontwerpen van het uitbreidingsplan met den ingenieur of bouwmeester een bekwamen tuin-architect, geoefend in ruimtebeheersching en -verdeeling, het scheppen van perspectieven, de keuze en het behandelen van beplantingen enz., te doen samenwerken. In sommige kleine steden en belangrijke dorpen heeft men het maken van het uitbreidingsplan opgedragen aan den bouw-kundig-teekenaar, die daar de rol van gemeente-architect vervulde, met het gevolg, dat jammerlijke, doodsche buurten tot stand kwamen, dat van allerlei voordeelen, die het terrein aanbood, geen partij getrokken werd, of zulke geheel werden te niet gedaan. In andere gevallen werd al hetgeen het terrein aan schoonheid bevatte geheel genegeerd ter wille van grond-exploitanten en jacht op belastingbetalers. Een treffend voorbeeld daarvan was het uitbreidingsplan van Wassenaar van eenige jaren geleden, dat de vereenigingen van natuurvrienden dan ook tot het uiterste hebben bestreden. Daar had men eenvoudig een wegenplan geteekend over den plattegrond der gemeente, zonder zich er om te bekommeren wat bij de uitvoering van de prachtige boschcomplexen zou verloren gaan — en dat zou zoo ongeveer alles zijn geweest, want er waren slechts enkele onbeteekenende stukjes „uitgespaard”, die „ongerept” zouden blijven. Dat herinnert aan het eerste tracé van den, gelukkig niet tot stand gekomen, electrischen spoorweg door het Gooi, welks ontwerper zich hoegenaamd geen rekenschap had gegeven van hetgeen zijn kostelijke lijn op haar weg zou ontmoeten; toen het ontwerp uitgewerkt werd, bleek het, dat zij loopen zou dwars door de beroemde kerk van Naarden.
Bij het tot stand brengen van stads-uitbreidingen dient er vooral op gelet te worden, dat zij zoo veel als maar eenigszins mogelijk is gaan in de richting, waar zij het minste kwaad stichten, en dat de bebouwing zoo zij, dat er geen terrein wordt verspild. Eene uitbreiding als die van ’s-Gravenhage, met haar lagen bouw en overvloed van eengezinswoningen,
127