ting van grachten, straten en wegen. Doch niet altijd is zulke beplanting gewenscht. Men heeft in ons land ook wel wegen van boomen voorzien, die beter daar zonder waren gebleven. Wegen, loopende door een bijzonder schoone streek, zullen gewoonlijk onbeplant moeten blijven, opdat het uitzicht niet belemmerd worde. Het zelfde geldt van door bosschen loopende wegen. Wegen van dezen aard, die van beplanting voorzien en aldus lanen werden, zijn in ons land niet zeldzaam. Het is echter verkeerd. Een boschweg heeft eigen karakter en eigen bekoring, die ernstig geschaad worden indien er een boomenlaan van gemaakt wordt.
Een ernstig euvel, ten slotte, is het leggen van buizen en kabels in beplante wegen, zonder zich te bekommeren om de gevolgen, die zulks voor de boomen kan hebben. Gewoonlijk wordt een diepe greppel in of langs den berm van den weg, vlak bij de boomen, gegraven, waarbij dan hoofdwortels, tot aan de wortelhals toe, worden weggehakt. Aldus behandelde boomen overleven zelden deze operatie. Ingenieurs en opzichters bekommeren zich om zulke kleinigheden gewoonlijk niet. Zij hebben er zich, bij voorbeeld, eenige jaren geleden niet om bekommerd, toen buizen of kabels werden gelegd in de weergaloos schoone Middachter Allee. Men hakte de wortels der prachtige beuken lustig af en het gevolg is geweest, dat ettelijke dezer rijzige boomen, zonder welke de Allee een nuchtere straatweg zou wezen, stierven; belangrijke gapingen zijn in de boomenrijen ontstaan en de vrees is gewettigd, dat er geleidelijk meer zullen volgen. Eerbied voor natuur en schoonheid ontbreekt technici en practici maar al te vaak. Het is de taak van allen, die hem wèl bezitten, de utilitariërs op het rechte pad te brengen.
Ad 5. De wet gebiedt gemeenten, wier aantal inwoners een bepaald minimum te boven gaat, uitbreidingsplannen vast te stellen.
Dit is een voortreffelijke maatregel, die veel onheil kan voorkomen, doch die ook veel onheil kan stichten, indien het ontwerpen van zulke plannen niet geschiedt door deskundigen, die tevens de natuur en de schoonheid liefhebben en wier lastgevers, d. i. de gemeentebesturen, eveneens deze liefde bezitten. Onheil wordt voorkomen, als bij het maken van het uitbreidingsplan op het scheppen van fraaie stads- en dorpsbeelden gelet, en van alle der in het plan begrepen terreinen voorkomende wateren, boomgroepen, bodemverheffingen, beplan-
126