Met dit bezit behooren wij zeer zorgvuldig om te gaan en er niet het kleinste gedeelte van te verspillen. Dit is thans zeer dringend noodig, daar de natuur zelve sinds eenige jaren bezig is ons van een kostelijk gedeelte van onzen boomenschat te berooven. De iepenziekte heeft reeds tallooze van deze, vooral voor stads-beplanting, onmisbare, prachtige boomen geveld; de aangetaste boomen zijn onherroepelijk ten doode opgeschreven, en men heeft tot nog toe geen middel kunnen vinden, om de epidemie te stuiten. Dit is een bedroevende ontluistering des lands, want de olm was wel, en te recht, de boom, die het meest voor stads- en wegen-beplanting werd gebruikt. Te redden zijn onze olmen waarschijnlijk niet. Onze steden, dorpen en wegen hebben aldus reeds een aanzienlijk gedeelte van hun tooi verloren en zullen zoo goed als zeker het nog overige eveneens verliezen. Het is dus geboden, dat het andere sierende geboomte zeer geëerbiedigd wordt. Er kan helaas niet gezegd worden, dat zulks steeds geschiedt. Nu onze bestaande wegen gewijzigd en verbreed, en vele nieuwe wegen aangelegd worden, zijn vele boomen ter wille van deze, geenszins altijd noodige, veranderingen geveld of ten doode opgeschreven. Niet overal treedt dit euvel, zeker niet overal in gelijke mate op. Sommige Waterstaats-ingenieurs, blijkbaar vervuld van piëteit en schoonheidszin, gaan zeer zorgvuldig te werk en offeren niet dan in de uiterste noodzaak een boom op. Andere daarentegen bekommeren zich om zulke kleinigheden als beplantingen niet, en laten maar kappen, zonder te hebben nagegaan, of het beoogde doel niet zou bereikt kunnen worden met behoud der boomen.
In de steden bedreigt de hoe langer hoe meer toegepaste bestrating van asfalt en tegels, die geen vocht en geen lucht doorlaten, het leven der boomen. Het „uitsparen” van betrekkelijk groote ruimten om den voet der stammen, zou hier baat kunnen brengen; doch het geschiedt slechts zelden. Toch moet deze maatregel toegepast worden, willen niet op den duur de boomen in straten met modern plaveisel verloren gaan. Degene, die op zulke dingen let, zal bemerkt hebben, dat, vooral op niet zeer breede wegen, op hoeken en in bochten staande boomen veel te lijden hebben van tegen hen botsende automobielen en andere voertuigen. Beschermende omhulsels behooren hier te worden aangebracht, wil niet de beplanting van zulke wegen ernstig schade lijden en op den duur te gronde gaan.
Dit alles betreft het beschermen en bevorderen van beplan-
125