pers, bouwmeesters, sierkunstenaars en ambachtslieden, die haar geschapen hebben, doch hunne scheppingen zeil leven eveneens en zullen blijven leven, als wij hun de liefde en zorgen wijden, op welke zij aanspraak mogen maken. Indien men — om tot tastbaarheden terug te keeren — slechts „ontwikkeling” kan zien in het sloopen van fraaie oude huizen en het in hunne plaats bouwen van leelijke en karakterlooze kleederen-magazijnen, of van op zich zelf goede, doch door lijn en kleur het stadsbeeld geweld aandoende huizen, of in dempen en breken, dan scheidt een niet te overbruggen kloof dezulken van hen, die „groei en ontwikkeling” zeer wel mogelijk achten mèt behoud en zonder bevlekking van het oude stadsbeeld, en zal gedachtenwisseling tusschen deze beiden nimmer tot overeenstemming kunnen leiden.
Genoeg zij het dan ook, deze beschouwingen te eindigen met het stellen van de vraag — welke te stellen tevens is haar beantwoorden —: Wie zal de schilderijen in onze openbare verzamelingen willen vernietigen, omdat er jonge kunstenaars zijn, wier werken men zou kunnen hangen aan de wanden der museumzalen? Wie zal Rembrandts „Nachtwacht” en „Staalmeesters”, Vermeers „Straatje”, De Hoochs binnenhuizen, Jan Steens huiselijke tooneelen willen opruimen, om er werken van coloristen, cubisten, futuristen, luministen, dadaïsten, surrealisten en producten der „neuen Sachlichkeit” voor in de plaats te stellen? Niemand immers, uitgezonderd dan wellicht eenige modernistische fanatici. Maar dan volgt de aanvullende vraag: Waarom dan wèl de werken van Hendrick en van Pieter de Keyser, van Jacob van Campen, van Philip en van Justus Vingbooms, van Adriaan Dorstman, van Daniël Stal-paert, van Vredeman de Vries, van Quellinus, van Blancard, van Le Rutte, van de Husley vernietigd en ze vervangen door bouwwerken, in geestelijk opzicht verwant aan, soms zelfs parallel loopend met de verschillende „scholen” van heden-daagsche beeldende kunst?
Ad 3. Indien onze oude stadscentra onaangetast zouden blijven, als daar nu niet gesloopt, gedempt en gebroken werd en geen storende gebouwen gezet zouden worden, dan zou daarmede het stadsbeeld toch niet geheel beveiligd wezen, want het is ook dan mogelijk het te bezoedelen, te bekladden, het kleine, doch daarom niet onschadelijke misvormingen te doen ondergaan. Zelfs goed bedoelde en ook wel nuttige wijzigingen van ondergeschikten aard, kunnen schadelijke uitwerking
121