zijn zij bereiders van den weg, langs welken nieuwe schoonheid, volmaakt, als die welke vroegere geslachten geschapen hebben, tot ons zal komen. Hun arbeidsveld zij onbeperkt. Vrijelijk moeten zij kunnen droomen en doen, werken en scheppen. Doch op eigen terrein, buiten het gebied der oude stadskernen. Nieuwe wijken, volgens de begrippen en naar de behoeften van dezen tijd ontworpen, daar behooren zij thuis, daar kunnen zij hun fantaisie vrij spel geven, hunne beginselen in toepassing brengen, hunne denkbeelden verwezenlijken, hunne ideeën vorm en gestalte verleenen, eenheid scheppen tusschen stratenplan en bebouwing. Voor de oude stadscentra echter, moeten andere eischen worden gesteld. Daar moet het algemeene aspect onveranderd blijven. Dit beteekent, dat de oude huizen en gebouwen zooveel als mogelijk is gespaard moeten blijven en dat nieuwe moeten passen in het stadsbeeld. Met dit laatste wordt niet bedoeld, dat nieuw te bouwen huizen nabootsingen van oude moeten zijn, doch dat zij met deze laatste geen schreeuwende tegenstelling mogen vormen, noch wat architectuur, noch wat kleur aangaat. Sommige moderne architecten — gewoonlijk de minst beteekenende onder hen — en hunne napraters, betoogen uit den treure, dat een stad geen museum is, doch een levend organisme, dat groeit en zich ontwikkelt. Het laatste gedeelte dezer redeneering kan gereedelijk toegegeven worden. Groei geschiedt echter naar buiten toe — de binnenstad kan niet groeien — en ontwikkeling is zeer wel mogelijk zonder schennis en vernietiging. Tegen het eerste gedeelte der aangehaalde stelling moet echter bezwaar worden gemaakt. Ten eerste, omdat het niet juist is hier het woord „museum” te bezigen; wie dit doet, past de oude, even welbekende als verwerpelijke methode toe, van het geschilpunt een caricatuur te maken en dan daar tegen van leer te trekken. Het gebruiken van het woord „museum” geschiedt om dezen indruk te wekken; een museum is een verzameling van doode dingen; de oude gesteldheid onzer binnensteden te bewaren, staat dus gelijk met vernietigen van het leven der antieke stadskernen. Het is echter onjuist te beweren, dat musea eigenlijk mausolea zijn. In de musea leeft de geest van hen, die de daar bijeengebrachte kunstwerken hebben geschapen; hun ziel waart er rond, hun willen, hun begeeren, hun fantaisie, hun streven en werken, hun creatief vermogen omringt ons daar en beïnvloedt ons als een levende kracht. Is het aldus met de musea, in veel grootere mate is dit het geval met onze steden. Hier leeft niet alleen de geest van ontwer
120