niet meer hunne oorspronkelijke bestemming. In een er van, het grootste, was het Gemeentelijk Museum gevestigd, een ander huisvest het Kabinet der Koningin en de overige zijn kantoorgebouwen geworden.
Uiterlijk zijn zij echter onveranderd gebleven en met elkander vormen zij een fraai geheel, een voortreffelijke afsluiting van het Vijverperspectief, een volmaakt oud-Hollandsch stadsbeeld. Een dezer huizen, het kleinste, doch staande op een belangrijke plaats, vlak naast het Museum, kwam in het tijdperk van oorlogswinsten en weelderig leven in handen van een handelaar in bont-kleederen, die in den ouden gevel een winkelvenster van buitensporige grootte liet hakken en hem aldus gruwelijk schond. De onderneming had, als vele dergelijke paddenstoelen-groeisels van een zwoelen tijd, een kortstondig leven. Zij is sinds lang verdwenen. Doch het kwaad, dat zij heeft gesticht, is gebleven. De eenheid van het stadsbeeld is verstoord. Het huis staat daar met zijn gapende winkelvenster, zelf verminkt en verminkende geheel den aanblik van deze stemmige plek, die met het Mauritshuis en den Vijver een volmaakte eenheid vormde. Een zoo mogelijk nog erger geval is dat van het „moderne”, gruwelijk gele bouwsel, dat men op de Princessegracht nota bene ten dienste van de Academie van Schoone Kunsten heeft gezet.
Wie, gezegend met open oog, begrijpenden zin en gevoeligen geest, zulke stedenschennis aanschouwt, doorgrondt niet hoe het mogelijk is, dat het stadsbestuur haar toeliet en beseft dieper dan ooit, hoe dringend noodig het is, dat verordening of wet, de laatste bij voorkeur en dan draconisch toegepast, een einde make aan de mogelijkheid, dat de eerste de beste aldus de schoonheid, die het voorgeslacht ons geschonken heeft, kan schoffeeren en vernielen. Geldelijk nadeel kan zulk preventief ingrijpen van de overheid toevalligen bezitters van op de monumentenlijst geplaatste huizen en gebouwen berokkenen. Waar werkelijk verlies geleden wordt, of te duchten is, zal dit goedgemaakt kunnen worden. Overwegingen van geldelijken, of van welken anderen aard ook, mogen hier geen gewicht in de schaal leggen. Hetgeen er nog van de heerlijkheid onzer oude steden overig is, moet tot eiken prijs behouden blijven, niet alleen om zichzelfs wille, doch ook omdat het tegenwoordige geslacht niet bij machte is er gelijkwaardige schoonheid voor in de plaats te stellen. De beste onzer tegenwoordige bouwmeesters — zij mogen zich daarvan al dan niet bewust zijn — zoeken en tasten nog. Wellicht, waarschijnlijk,
119