vangen werd door een banaal bouwsel, de Vereeniging „Hen-drick de Keyser” gesticht, die zich ten doel stelt, oude huizen van geschiedkundige en bouwkundige waarde aan te koopen, zoo noodig te herstellen en in stand te houden. Zij heeft inderdaad reeds zeer vele huizen en gebouwen, onder welke buitengewoon belangrijke, op deze wijze van ondergang gered en zij gaat onverdroten voort aldus te doen. Doch prijzenswaardig en zegenrijk als haar arbeid is, zoo kan toch niet gezegd worden, dat zij het kwaad der destructie afdoende vermag te keeren. Hier moet de Overheid ingrijpen en wel door middel van eene zeer ver strekkende Monumentenwet. Zulk een wet bestaat hier echter niet. Wel is reeds sinds vele jaren toegezegd, dat er eene bij de Staten-Generaal aanhangig zou worden gemaakt; zelfs is bekend geworden, dat het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ontwerpen in gereedheid heeft gebracht; doch verder is het niet gekomen; nog steeds ontbreekt ons een Monumentenwet en aldus kan de Regeering, in gevallen van dreigenden ondergang van het eene of andere schoone of belangrijke bouwwerk, slechts bemiddelend en overredend optreden. Dwingen kan zij niet. Ten einde in deze leemte te voorzien, zijn eenige gemeenten er toe overgegaan, plaatselijke monumenten-verordeningen in het leven te roepen. Dit is ongetwijfeld een prijzenswaardige daad, die veel onheil kan voorkomen. Doch de macht eener gemeente is beperkt, terwijl die der regeering, ontleend aan eene deugdelijke en ver strekkende wet, vrijwel onbegrensd is. Aan een wettelijke voorziening moet dus de voorkeur gegeven worden boven plaatselijke verordeningen, die bovendien slechts betrekkelijk kleine gedeelten des lands bestrijken. Tot het voornaamste van hetgeen thans degenen, wien deze dingen ter harte gaan, hebben te doen, behoort dan ook, en niet in de laatste plaats, het oefenen van sterken drang op regeering en volksvertegenwoordiging, tot het in het leven roepen en nauwgezet toepassen van een niets verwaarloozende, alles-omvat-tende Monumentenwet.
Het mag niet langer worden gedoogd, dat iedere toevallige bezitter naar believen kan handelen met hegeen een deel is van het beste goed der natie, fraaie gebouwen aan vernietiging kan prijsgeven, of, hetgeen wellicht nog erger is, verminken. Een treffend voorbeeld van dit laatste is te ’sGraven-hage te vinden. De Korte Vijverberg bestaat uit een rij patricische en deftige woonhuizen, de meeste van aanzienlijke afmetingen en uitziende op den Hofvijver. De huizen hebben
118