tusschen deze straat en de Leidsche straat, de beroemde Bocht, als het ware verplettert. Een ander voorbeeld, eveneens te Amsterdam, is het nieuwe kerkgebouw op de Rozengracht, dat den Westertoren maskeert en aldus het stadsbeeld schaadt, zooals te Haarlem een niet lang geleden gebouwd manufac-turen-magazijn aan het Spaarne de achter de huizen oprijzende oude St. Bavokerk bedekt en aldus een prachtig stuk stadsschoon bederft.
Niet minder betreurenswaardig is de bouw van huizen, die door hun vorm of kleur wat men noemt vloeken tegen hunne omgeving. Het plaatsen van moderne, zakelijkheids- en dergelijke huizen in de oude stadsgedeelten, heeft bijna altijd een funeste uitwerking, zelfs al zijn zulke gebouwen in zich zelf goed, of zelfs schoon, en zouden zij in een nieuwe stadswijk zeer wel op hun plaats zijn. Op vele plaatsen zijn de hoofdgrachten van Amsterdam op deze wijze bedorven, hetgeen onduldbaar wordt, indien zulke nieuwe bouwsels niet alleen uiterst storend werken door vorm en kleur, doch bovendien van onbelangrijke, vaak zelfs positief leelijke architectuur zijn, hetgeen maar al te vaak het geval is. Een bijzonder treffend voorbeeld van hetgeen hier wordt gezegd, is de bouw van een handelsinrichting aan een van de voornaamste grachten te Leiden. Te midden van de oude, deftige gevels staat daar nu een moderne structuur, stuitend van vorm, dat het stadsbeeld ter plaatse zoo gruwelijk geweld aandoet, dat zelfs voor zulke dingen slechts matig gevoelende lieden het niet zonder ergernis en toorn kunnen aanschouwen. Zoo is ook de bouw van den nieuwen stadhuisvleugel te Amsterdam, op zich zelf een goed stuk architectuur, een schreeuwend onrecht, gepleegd jegens de zeer oude gracht, aan welke hij gelegen is, en des te meer te bejammeren, omdat er ettelijke oude huizen, onder welke een bijzonder fraai specimen van Philip Vinboons kunst, voor gesloopt zijn geworden. Er kan dan ook niet streng genoeg gewaakt worden tegen het plaatsen van te hooge, door vorm en kleur uit den toon der oude straten en grachten vallende gebouwen. Indien men algemeen van deze noodzakelijkheid doordrongen ware geweest, dan zou Amsterdam niet van Rijkswege opgescheept zijn geworden met het ongeloofelijk wanstaltige geldpostkantoor, dat daar in grove afzichtelijkheid staat tegenover Jacob van Campens statige Stadhuis. Zulk bouwen is oneindig erger dan sloopen. Het schoone kleed onzer oude steden moet gevrijwaard worden tegen dergelijke gore bevlekking.
115