doorbraken en verbreedingen is: het verwijderen van de trams uit de gewoonlijk smalle straten der oude binnensteden. Had men aldus te Amsterdam gehandeld, dan had de kostbare en onfraaie verbreeding van de Amsterdamsche Vijzelstraat achterwege kunnen blijven en zouden Leidschegracht en Leidschestraat onbedreigd zijn. Want in de nauwe straten der voormalige vestingsteden is de tramwagen, die niet uitwijken, noch zich in den loop en de beweging van het verkeer voegen kan, de ernstigste verkeers-belemmering. Te Londen heeft men dit altijd beseft en daar vindt men dan ook in de binnenstad, evenmin trouwens als in de Parijsche, geen trams, doch slechts omnibussen, die in den verkeersstroom opgaan. Trams zijn er slechts in de buitenwijken. In ons land is het anders. Te Amsterdam rijden de trams in de nauwe en drukke straten der binnenstad en de omnibussen in de breede en meestal stille der nieuwe stadsbuurten. Te Leiden, te Utrecht en te Arnhem zijn de vaak zeer smalle straten verstopt met vervaarlijke tramkolossen, zoodat men in eerstgenoemde stad een typische gracht, het Levendaal, heeft gedempt, omdat men den eigenlijken verkeersweg, het vrij enge Hoogewoerd, geblokkeerd heeft met een tramlijn.
Het voorname punt, dat nimmer mag worden uit het oog verloren, is, dat niet de oude steden geschikt gemaakt moeten worden voor het verkeer (waarin men toch nooit kan slagen), doch dat het verkeer zoodanig moet geleid en geregeld worden, dat het zich voegt naar de gesteldheid der oude steden. Onze oude steden, met hare eigenaardige straten-netten, hare altijd belangwekkende, gewoonlijk typische en dikwerf buitengewoon fraaie grachten, hare merkwaardige gebouwen en het vroolijke silhouet harer antieke woonhuis-gevels, zij zijn een kostbaar bezit, dat niet geschonden, veel minder vernietigd mag worden, in geene omstandigheden, doch zeker niet ten behoeve van het luxe-verkeer, dat zeer wel eenige vertraging verdragen kan, of van het handelsverkeer, dat in den regel en met eenigen goeden wil geleid kan worden zóó, dat het geen belemmering van beteekenis ondervindt.
De stad kan echter niet alleen geschonden worden door sloo-ping, doch ook door bouw. Een hoog gebouw, dat belangrijk uitsteekt boven de gemiddelde toplijn der bebouwing van een bepaald stadsgedeelte, heeft gewoonlijk eene noodlottige uitwerking op het stadsbeeld. Een treffend voorbeeld daarvan is het groote en zeer hooge bankgebouw in de Vijzelstraat, te Amsterdam, dat het prachtige gedeelte van de Heerengracht,
114