Ad 2. In den loop der 19de eeuw zijn de Nederlandsche steden van een groot deel van haar rijken tooi beroofd geworden. Wie in archieven, platen-atlassen, openbare en particuliere verzamelingen snuffelt en de afbeeldingen aanschouwt van hetgeen in dat tijdperk van zinneloos vandalisme werd vernietigd, staat geslagen van droefenis over zoo onmetelijk verlies. Kerkelijke gebouwen, torens, stadspoorten, waaggebouwen, oude wallen en bolwerken, bruggen, douanehuisjes — niets was heilig of veilig voor de beeldstormers der 19de eeuw. Wat deze lieden bezield moge hebben, is te vermoeden noch te begrijpen. Stellig dachten de vroede vaderen dier dagen, dat het welzijn der aan hunne zorgen toevertrouwde steden en gebieden het slechten van tallooze antieke bouwwerken vorderde. Op welke gronden dit berustte, blijft echter een raadsel. Wat kan, bij voorbeeld, het gemeentebestuur van Amsterdam er toe gebracht hebben, den Jan Roodepoorts- en den Haring-pakkerstoren te doen slechten — torens, die niets of niemand in den weg stonden, die schoon waren in zich zelf en een prachtige plaats innamen in het stadsbeeld? Wat kan dat van Haarlem geleid hebben tot het sloopen van bijzonder fraaie stadspoorten? Men kan deze en dergelijke vragen gemakkelijk stellen, doch het antwoord is niet te vinden. Ware er anders gehandeld geworden, had men eerbied en piëteit gehad voor al die oude schoonheid, haar zorgvuldig tegen verval behoed, hoe onvergelijkelijk schoon zouden dan onze steden thans zijn geweest. Men reist half Europa door, om de oude steden van Italië, om Neurenberg en Rothenburg te zien en te bewonderen, doch een groot deel van de volkomen gelijkwaardige schoonheid onzer eigen steden heeft men opzettelijk verwoest. Dat vele hunner zich thans nog kunnen meten met de beroemdste oude steden in het buitenland, bewijst slechts hoe onmete-lijk de schat van schoonheid is geweest, die onze vaderen aan een verworden en stompzinnig nageslacht hebben geschonken. En wat heeft men geschapen ter vervanging van hetgeen men vernietigde? Eén blik op de gebouwen en huizen, producten van de 19de eeuw, volstaat, om te zien, dat het weinig anders is dan slappe nabootsing van oude bouwstijlen, onbeholpen toepassing van klassieke motieven en karakterlooze knutselarij.
Er is verbetering gekomen. Men doet, in het algemeen gesproken, nu wel wat men kan, om monumenten van historische en kunstwaarde te behouden en, zoo noodig, voor verval te behoeden. Men heeft zelfs te Alkmaar een fraai torentje, dat werke-
116