daar omheen gelegen nieuwe klimt tegen de flanken en over de ruggen der omringende lage heideheuvels. Daar achter strekt zich naar het Westen, Zuiden en Noord-Oosten de wijde golvende heide uit. Vrij uitgestrekte naaldbosschen liggen vlak bij het dorp; alom staan dichte groepen en wallen van lage, uitgestoelde eiken; het heldere water van kleine meertjes blinkt en fonkelt in de zon; vriendelijke, beschaduwde paadjes kronkelen en slingeren zich om en door het dorp, terwijl elders breede wegen en lanen, beplant met statige olmen en beuken, het landschap doorsnijden. Er zijn nog vele der plekjes, die Mauves penseel vereeuwigde, in ongerepten staat aanwezig en zelfs de kudden schapen, die de meester zoo voortreffelijk beeldde, zwerven nog over de ruige heide, over in driestland verkeerde, verlaten akkers, langs den boschrand, bewaakt door den herder en diens honden.
Het middelpunt van het dorp is de Brink, de grootsche, vermaarde, onvolprezen Brink, het driehoekige plein, waar eenmaal de oorspronkelijke bewoners waarschijnlijk Wodan vereerden en waar zij over het wel en wee van hun stam, van hunne nederzetting beraadslaagden, hun „ting” hielden — de groote driehoek, thans, als toen, beplant met hooge, statige boomen, onder welke het water van een vriendelijk vijvertje rustig, als droomend ligt. Plechtig, verheven bijna, is de stemming, die hier heerscht; het bescheiden, doch fraaie kerkje, met zijn zes eeuwen ouden toren, draagt bij tot het scheppen van den indruk van vrede en rust, dien deze gewijde plek maakt op den gevoeligen mensch. In den vroegen morgen van een zomerdag, vóór verkeer en drukte hun intrede doen, zal hij dezen invloed het sterkst ondergaan. Dan valt het zonlicht door den schemer der boomen op den groenen bodem en doet het water van het vijvertje blinken. De geestelijke atmosfeer is als die van een Gothische kathedraal, overweldigend, dee-moedigend, doch kalmeerend en verheffend tevens.
Daar liggen om den Brink de huizengroepen van het oude dorp. Er zijn vele vrij breede wegen, doch er zijn ook andere, smal en bochtig, typische weggetjes en paadjes, die telkens weer andere en verrassende kijkjes geven. Daar liggen, in eene schijnbare ordeloosheid, die aan het dorp een eigenaardige bekoring verleent, de oude hoeven, de korte rijen arbeiderswoningen, de vriendelijke burgerhuizen, alle in hunne tuinen, groote en kleine, van elkander en van den weg gescheiden door hagen van beuk en hulst, doorn en liguster.
Een geheel eigen karakter heeft het Larensche boerenhuis, dat
105