Wad slechts kan varen bij hoog water, is van geregelde aansluitingen geen sprake en viel het vertrek van het scheepje soms bij het aanbreken van den dag. Maar dat hinderde niet, want het was gezellig in het Dijkhuuske, het genoegelijke herbergje bij het steenen hoofd, en er was iets aartsvaderlijks, dat herinnerde aan de kalme tijden van het verleden, in dat ongejaagde reizen. Dan kwam het postbootje aan het einde van het hoofd, een kwart-uur gaans van het huuske; men scheepte zich in, de boot voer over het Wad, van tijd tot tijd kreeg men brokstukken te zien van den verbindingsdam, jaren te voren gelegd tusschen het eiland en den vasten wal, doch die het tegen de aanvallen van de Waddenzee niet had kunnen bolwerken, en ten slotte geraakte men tot een soort van steenen gedoe, over hetwelk men, ten aanschouwe van een aanzienlijk gedeelte der inboorlingen, voor wie de aankomst van de postboot een bijzondere, zoo niet opmerkelijke en belangwekkende gebeurtenis was, vele acrobatische toeren verrichtende, Nes bereikte. Daar kon men zijn hart ophalen aan de alle aardige en de enkele oude huizen van eigenaardige architectuur, aan het eerbiedwaardige kerkje, met zijne herinneringen aan het oude Friesche geslacht der Cammingha’s, dat eenmaal over Ameland heerschte, aan de vreemdsoortige vaal-witte palen van weg- en erfscheidingen, die bleken walvisch-ribben te zijn, aan den vriendelijken aanleg van het dorp, met zijn zandwegen, zijn boomen, zijn leuke behuizingen met aardige tuintjes. Men nam zijn intrek bij Jan Hofker, waar het gemoedelijk toeging, de spijzen uitstekend waren en de prijzen gering. Het land langs het Wad was grootendeels weide, want er werd veel gedaan aan paardenfokkerij. Doch in het Noorden, aan de Noordzee, daar lag een machtig duingebied, door hetwelk een planken pad voerde naar het fraaie breede strand, waar niets was dan een eenvoudig badpaviljoen. Buitengewoon bekoorlijk was het grootsche duinlandschap, met een bijzonder rijke flora, en indrukwekkend de uitgestrekte zandvlakte, het Oerd, met zijn beroemden eenzamen vlierboom.
Wegen kende het eiland niet. De verbindingen tusschen de dorpen waren wat de Amerikanen „trails” zouden noemen, karresporen door en langs en over het duin. Men bezocht Hol-lum en Ballum, en ook het Oerd, te voet. Wie slecht ter been of gemakzuchtig was, bediende zich van het eenige vervoermiddel, dat het eiland kende, het verdek, een soort van huifkar zonder veeren en op platte wielen. Een rit in dit vehikel was niet ongelijk aan een op een kameel. Het was niet comfor-
88