de bij en tot haar vloeiende wateren: het Gein, de Angstel, de Holendrecht, de Bullewijk, met de dorpen die er bij behooren, het is alles tezamen verrukkelijk mooi, hier en daar zelfs aandoénlijk schoon. Daar zijn plekjes aan het Gein, bij Baam-brugge en Loenersloot, tusschen Nieuwersluis en Breukelen, te Nieuw-Loosdrecht, die behooren tot het heerlijkste, dat Nederland bezit.
En de Biesbosch, die goddelijke wildernis, met zijn riet en ruigten, met zijn ontzaglijk vogelleven en uitbundigen plantengroei, een waterparadijs, uitgestrekt, eindeloos afwisselend, een stuk ongerepte natuur. En het Naardermeer, waar alles aan de natuur is ondergeschikt gemaakt; waar de jager en de nieuwsgierige, doch niet belangstellende en ongevoelige bezoeker onbekend zijn; waar alles in vrede, ongestoord, naar eigen wil en vermogen kan tieren en bloeien en groeien; waar de vogels veilig zijn, zoodat zeldzame, als de lepelaar en de purperreiger, er telken jare wederkeeren om te broeden. En de Kaag, met haar neven-wateren, waar de beste aller sporten, die van en op het water, zoo vlijtig beoefend wordt, zoodat het er den geheelen zomer door een orgie is van glanzend water, malsch groen en witte zeilen — zooals het ook is op de Loos-drechtsche Plassen en op de Friesche Meren, en trouwens overal in den lande, waar weidsche wateren en breede rivieren zijn.
Welke heerlijke oorden zijn onze plassen voor den bioloog en den natuurliefhebber. Ons waterland bezit een even rijke als schoone flora, een schat van planten in het water, op het water, aan de oevers en op drassige plekken. Zij zijn vol vis-schen en amphibische dieren en insecten, zelfs schelpdieren en poliepen ontbreken niet. Er is weelderige overvloed van vogels. Zeldzaam geworden dieren — zeldzaam, omdat de mensch, in zijn zelfzucht, hen heeft uitgeroeid — en allerlei kleine roofdieren —een zonderlinge uitdrukking, vondst van het grootste aller roofdieren: den mensch — treft men er aan. In onze plassen en meren bezitten wij een kostbaren schat, onuitputtelijke bronnen van rein genot, van gezondheid, van edel vermaak — onvergelijkelijke gelegenheden tot ontwikkeling van het lichaam en verrijking van den geest, tot even eerbiedigen als intiemen omgang met de natuur en hare werken. Dit bezit van zoo groote waarde heeft geen aanslagen te duchten. Geen mensch zal er aan denken het te bezoedelen. Niemand zal er de schennende hand naar uitsteken. Ongerept wordt het gehouden in volle schoonheid.
82