rotsen, sloten en bouwvallen van kasteelen ontbreken, behalve dan Loevesteijn en de overblijfselen van het Valkhof en het slot van Wijk-bij-Duurstede. Rustig liggen zij, breed uit, onafzienbaar breed soms, als het Hollandsch Diep en de beide Schelde-armen, tusschen de dijken, die des zomers overbodig en nutteloos schijnen te wezen, doch in den winter, als hevige stormen losbreken, en in het vroege voorjaar, als de wateren in massa’s van de bergen stroomen naar de lage landen, of als na strenge vorst de ijsmassa’s zich opstapelen en gaan kruien, geweldige aanvallen hebben te doorstaan.
Prachtig is altijd dit rivieren-gebied, waar onder de steeds wisselende luchten het water en de met vee en struikgewas gestoffeerde uiterwaarden en het lage land daarachter, met een dorpje hier en een stadje ginds, een schoone harmonie vormen. Men kan zich nauwelijks iets bekoorlijkers denken dan een wandeling in Mei op een hoogen Betuwe-dijk, met de breede, levendige, druk bevaren rivier aan den eenen kant, en de uitgestrekte boomgaarden in vollen bloei, roomwit de kersen-, zuiver wit de peren-, wit-en-rood de appelbloesems, aan den anderen. Heerlijke vergezichten ook van de dijken overal in het diepe land, over weiden en akkers, dorpen en stadjes, verschieten vol torens en molens, levendig, lief van ontroerende innigheid. Anders, doch even prachtig, de Waal voor het oude Nijmegen, de grootsche rivier stroomend langs de tegen de heuvelen klimmende stad, bekroond door St. Stevens geestigen toren, en dragend de geweldige sleepen, lange slierten vervaarlijke Rijn-aken, door forsche sleepbooten getrokken naar het Rijngebied, tot Zwitserland toe, of naar de rustelooze havens van Rotterdam. Of de rivier voor Dordrecht, waar de zware stompe toren neerziet op de druk bevaren wateren. Of de Nieuwe Maas vóór Rotterdam, waar de aken en lichters drommen om de zeeschepen, de mailstoomers liggen als ongenaakbare kasteelen, de kraangevaarten overal draaien en heffen, schepen komen en schepen gaan, altijd door, bij dag en bij nacht, en snelle sleepbooten en motorvaartuigjes vlug en behendig schieten tusschen en door en langs de gemeerde of statig zich voortbewegende zee- en rivierschepen. Of de armen van de Schelde langs en tusschen de Zeeuwsche eilanden, van zoo grootsche breedte, dat niet valt waar te nemen waar de rivier eindigt en de zee begint. Of de Lek en de Hollandsche IJsel met haar nijvere dorpen en stadjes, waar op de vele werven de schepen geboren worden, die straks zee en rivier zullen bevaren. Het is alles, hoe verschillend ook van
7»