aard, even schoon, even indrukwekkend, even grootsch en bekoorlijk tegelijk — in één woord: even Nederlandsch.
Maar er zijn ook andere stroomen, wier karakter van dat der groote rivieren geheel verschilt. Vergelijk den Dinkel, daar in het Oosten van Twente, met het Haringvliet of de Noord, met de Westerschelde of den Roompot! Hier geen ontzaglijk stroomgebied, geen onafzienbaar watervlak, geen dijken en geen scheepvaart, doch een smalle, snel-vlietende stroom, tusschen hooge en heerlijk begroeide oevers, een forellenbeek, helder als kristal, lachend en tintelend in de zon — maar des winters vaak aanzwellend tot een woesten vloed, die somtijds de omgeving niet weinig teistert. Over groote uitgestrektheden van haar loop doet een andere Overijselsche rivier, de Vecht, voor den Dinkel, wat schoonheid betreft, niet onder, al is zij ook aanzienlijk breeder en al vloeien hare wateren rustiger voort. En dan haar naamgenoot, de Utrechtsch-Hollandsche Vecht. Dit is wel de ideale Hollandsche rivier. Heerlijk liggen daar de fraaie dorpen aan hare oevers en tusschen deze de prachtige oude buitenplaatsen, met den onvergelijkelijk schoo-nen weg tusschen Loenen en Breukelen, den Mennistenhemel, zooals de oude Amsterdammers het oord plachten te noemen, omdat zoo vele rijke Doopsgezinde (Mennonieten of Mennisten) kooplieden daar hunne lustverblijven hadden. Echt Hol-landsch, deze frissche stroom, met zijn oude dubbele wip-bruggen, zijn tuinen tot aan het water, boom- en bloemrijk, zijn bescheiden beurtschepen en vroolijk spelevarende schuitjes en jachtjes — met zijn uitzichten ook over het heldergroene polderland en over het wijde verschiet der Loosdrecht-sche plassen.
In vroegere tijdperken heeft het nijvere voorgeslacht het veen gegraven en gebaggerd, doch strooken land laten liggen, om er de turf op te trappen en te stapelen. Toen het zijn werk had verricht, hadden uitgestrekte plassen de plaats ingenomen van het veenland en daarin lagen de uitgespaarde strooken, die nu eilanden geworden waren. Toen kwam de natuur en ging aan den arbeid. Riet en biezen en waterplanten strooide zij in en langs de wateren, die zij bevolkte met visschen en amphibieën en insecten, in en op en boven de oppervlakte, alsmede met een rijkdom van vogels, die daar zwommen en zwierden en zongen. Aan de eilandstrooken gaf zij grillige vormen en liet er wilgen en elzen en peppels schieten uit den grond. Verrukkelijk en rijk werd aldus het leege, armelijke waterland, dat de mensch onwillekeurig had gemaakt. En toen
80