dienst gedagt of van gesproken word, nog in huis of in de zamenspre-kingen, de Jonge Heeren zijn daar toe te geleerd, en de Jonge Juffrouwen hebben hun hoofd te vol met de Modes van den Dag en Romaneske denkbeelden, dan dat zij zig met zaken van de Godsdienst zouden moeijen. Maar verre af is het, dat alle de aanzienlijken zoo verre zoude gezonken zijn; neen, er zijn nog aanzienlijken, welke veel lust en ijver voor de Godsdienst hebben, door in hunne huisgezinnen nog te doen bidden en lezen, en over de Godsdienst zelfs met hunne onderhoorigen te spreken; bij deze heerscht dan ook nog eerbied en kunde van de Godsdienst, daar bij de andere, bij alle hunne Wijsheid, Kennis van Vreemde Talen, en vooral bij hunne zoogenoemde Wereldkennis, eene zeer diepe Onkunde in zaken van den Godsdienst, waar in veele van hun met regt de naam van Weetnieten verdienen. Och, dat er niet veele onder hun mogen gevonden worden, van welke den Hoogste Regter zal zeggen: „Mijn Zoon, Mijn Dochter, gedenk dat gij uw goed in deze Wereld genoten hebt,” zeer weinig zal dan de Wereldkennis baten, wanneer de Man of Vrouw op welke zij zeer laag nederzagen en hem voor een Mediocre, of iemand die zijn Wereld niet kende, voor eeuwig, Ja, dan voor Eeuwig, ingaat in de Vreugde zijns Heeren.
Bij de Middenstand houd men doorgaans deze Levenswijze. Des morgens slaapt men zeer lang; zelfs veele Winkelhuizen doen niet voor 8 ure open; dan zet men zig aan het Ontbijt, en vervolgens gaat men aan het Werk tot 12 ure, wanneer men een zogenaamd Elf Uurtje drinkt en daar bij brood boter en kaas eet; en bij deze Stand is even als bij de aanzienlijken het late middageten mede in de gewoonte gekomen en verder volgt men de aanzienelijken naa, in het gaan naa de Schouwburgen, Concerten, Bals des Winters, en des Zomers naar de Colegie Tuinen, van welke men dan zeer laat terug komt. Maar egter zijn er onder deeze nog veele welgeregelde Huishoudens, en in welke men deze regel nog opvolgt: „op zijn tijd naar bed, en op zijn tijd weer op.”
Onder deeze vind men ook nog zeer veele Godsdienstigen, welke des Zondags een of twee Reizen ter kerk gaan, en in hunne Huis-Godsdienste zeer stipt zijn, en waar van zommige zeer kundig in de Godsdienst zijn. Bij de Dienstboden en geringen word veelal deze Levenswijze gevolgd. De Eerste, en wel bij de aanzienlijken, deelen mede en volgen de Levenswijze derzelve na, en des Zondags neemen dezelve wel stipt hunne Kerk-beurten, om dan hunne goede Vrienden te bezoeken, en des middags, in den zomer, om buiten de Poorten, in Herbergen enz. te danzen of te zingen, gelijk mede des Winters binnen de Stad, in daar toe ingerigte
93