van den Wijkmeester, subjectief. Bovendien zullen zij, aangenomen dat de schrijver goed heeft waargenomen, wel met evenveel recht kunnen toegepast worden op Rotterdammers, Maastrichtenaren, Parijzenaars, Madrilenen en Monagasken, als op Amsterdammers. Het is al uiterst hachelijk de psychologie van een volk te bepalen, laat staan die eener stadsbevolking. Men zal dan ook de ziel- en zedekundige overpeinzingen des Wijkmeesters het best met het gebruikelijke korreltje zout kunnen genieten.
Onze Wijkmeester heeft ons ook verrijkt met een beschrijving van de levenswijze der Amsterdammers, die hij hielp bestieren. Men leze:
„Burgerlijke en Godsdienstige Leefwijze. Bij de aanzienlijke en gegoede, poogt men de voorvaderlijke deftigheid met de schitterzucht der Vreemdelingen te vereenigen, waardoor eene halve grootheid en gemanierde st ijf-heid ontstaat, welke voor buitenlanders van aanzien bclagchelijk is.
Des Zomers zoo wel als des Winters gaat men des avonds laat slapen, zoo dat middernacht hier niet voor laat gehouden word, en 5s morgens Acht ure voor zeer vroeg gehouden word; hierom ziet men zijne vrienden meestal des avonds, maar zeldzaam des middags aan Tafel, waarbij dan alles zeer grootsch en prachtig is ingerigt, het zij op een Franschen of Engelschen voet. Over dag is de Man op zijn kantoor of Pakhuis tot aan Beurstijd, ten half vier Uuren des middags, zijnde deze van tijd. tot tijd in de tijd verlaat, om het laten Eeten. Deze begeeft zig dan eerst na 1 iet Koffiehuis, en van daar naa de Beurs, komende na de afloop van dezelve terug. Van ’s morgens af is de Vrouw in haar huishouden bezig in het Gezin, in den stillen huiskring bezig, tot aan de thuiskomst van de Man, wanneer ook, als men Vrienden verzogt heeft, dezelve komen; dan eet men en na den afloop van hetzelve begeeft men zig tot eene kleine Wandeling des zomers, wanneer men Thee drinkt om 7 of 8 ure, en dan om tien ure of later begint men aan het Avondeeten, en des Winters gaat men na den Schouwburg of Concerten, welke laatste meestal zeer laat eindigen. Zoo brengen veelal de aanzienlijken, dog niet allen, de geheele Week door, maar des Zondags begeven zig nog veele naar de Kerk; veele zouden het ook, om ongemeen te zijn, naar de Fransche Kerk, alleen des morgens, veelal zeeker om den welspreekende Redenaar te bewonderen, en daar van iets te kunnen zeggen, meer dan uit Godsdienstigheid, want hoe is het mogelijk en bestaanbaar, dat men des avonds te voren den Fransche of Italiaansche Acteur of Zanger met het hoogste gevoel bewondert, en den daarop volgende morgen den Godsdienstige Redenaar hetzelfde gevoel kan schenken. Daar in den Week geheel aan geen e Gods
92