zedert is men daar zeer ver afgeweeken. Veele, zelfs Ambachtslieden, leggen veel aan hunne Klederen te koste, en in de Verteering zijn ze alles behalven zuinig; de meeste verteeren op een Zondag wat zij in de voorgaande Week gewonnen hebben, buiten en behalven het Dagelijks Morgen en Avond slokje. De oude
Matigheid is ook meest verdweenen; voorheen waren er ook veelen sterke Drinkers, maar echter zoo algemeen niet als thans. De Arbeidzaamheid, is ook bij veele zeer verminderd; te vooren waren die van de Middenstand en de geringere veel al aan hunne Ambachten werkzaam; thans, daar veele op Kantoren zijn of Ambten zoeken te krijgen, waar weinig bij gewerkt behoeft te worden, is de werkzaamheid van zeer veele zeer vermindert; men zoekt in alles de gemakkelijkheid, en om zoo weinig werk te doen.
Mededeelzaamheid en Liefhebbende. Het eerste vind nog in een zeer groote Maate onder alle Standen plaats, vooral bij Harde Winters en bij Collecten voor Rampen, maar het tweede word zeer weinig uitgeoeffend, om iemand te helpen. De Weg aan te wijzen, krijgt men op de aanvrage daartoe van zeer veele een nors en onvriendelijk antwoord. Uit dit zoo zeer gemengd karakter, volgen nu bij een en dezelvde menschen de tegen-strijdigste Wenschen en Werkingen.”
Wat in deze beschouwingen het eerst treft, is wel, dat het ophemelen van „den goeden, ouden tijd” blijkbaar van alle tijden is. Meijer schouwt naar het verleden en ziet daar niets dan deugdzaamheid, braafheid en goede eigenschappen. Hij wendt den blik naar zijn levende omgeving en ziet slechts weinige overblijfselen van dit alles en verder niets dan het tegenovergestelde.
Zoo was het toen en zoo is het nu — zoo zal het wel altijd blijven. Distance lends enchantment, zegt een Engelsche schrijver. Wat geweest is, zien wij in rozenkleur; het heden lijkt ons somber.
„Een pondje boter,
Al voor een stooter,
Die goeie tijd,
Die tijd komt nooit weerom.”
Zoo werd een halve eeuw geleden de oude tijd, gesymboliseerd in goed-koope boter, bezongen. Heden jammert men, dat alles niet meeriszooals het voor vijftig jaren was. In het jaar 2000 zal men weemoedig terugblikken op het gelukzalige heden.
Uiteraard zijn psychologische en moraliseerende beschouwingen, als die
9i