veele, beide daar toe strekkende om boven andere uit te munten. Zindelijkheid en Reinheid en Slordigheid. Veele zijn ten uitersten gezet op de zindelijkheid en Reinheid van Huizen, Glazen, Straaten en Kleederen, doch alles in het uitwendige en blinkende, schoon men bij zommige daar en tegen inwendig verre af van zindelijk te zijn. Dit is even zoo gelijk de melkboeren of verkopers, die een geruimen tijd van den dag besteden om hunne Emmers schoon te maken en zich niet bekommeren ol er stukken vuilnis in de Emmers met melk welk op de straat daar invalt. an deeze zoo zeer gemengde karakters zijn dus niet anders dan soms geheel tegenstrijdige werkingen te wachten; voorheen waren de meeste zeer beroemd om hunne Deugden als hunne
Eenvoudigheid, zij waren dit zoo wel in hunne Kleeding, Leefwijze en gedrag, maar thans weet een elk het Beter, de eene is nog wijzer dan de andere, en die thans zeer Eenvoudig is, draagt al ras de naam van: dat isjeen stijven, en in Kleeding enz. is men verre af van Eenvoudig te zijn, gelijk ook uiten zijne Leefwijze of Gedrag, en om hunne Oprechtheid. Deze tekende zig zoo zeer in hun spreeken als hun Gelaat. Van de meesten wierd gezegd, dat hun het harte op de Tong lag, en men konde aanstonds aan hun gelaat zien, wanneer zij in iets geen genoegen namen; maar thans is dit geheel veranderd; met schroom durft men iets af te keuren, om niet achterhaald te worden, en thans is het veelal, „hoe veel zeid de Tong niet dat het Harte niet en meend,” dus is ook de Oprechtheid bij veele maar slechts eene bloote Klank — en de Gro< »te Getrouwheid, welke voorheen plaats vond, daar iemands woord zijn zegel was, en waar aan men zig heilig hield, heeft plaats gemaakt voor de grootte Ontrouw en Bedrog. Daar men voorheen op Woord en hand-teekening zig gerust konde verlaaten, baat dit zoms door de veele uit-vlugten, welke men daarop zoekt, zeer weinig, en de eene zoekt de andere op alle mogelijke wijsen te benadeelen, onder het zeggen: „Ik heb hem mooi beet of bij de neus gehad,” en hier in steld men zijn eer; ook kan men in waarheid zeggen „de Oude Trouw is lang begraven.” Veel mist men ook van het
Koele Bedachtzaam Overleggen, waar door men niet ligt iets ligtzinnig ondernam; maar wanneer men tot een besluit was gekomen, dan week men daarvan niet af; thans doet men veel zonder eenig overleg; komende hier van de veele zucht tot Verandering. De voorheen zoo hoog geroemde Zuinigheid en Spaarzaamheid, welke men in zijne Kleeding en Verteeritig betoonde, om iets te bespaaren voor den Ouden Dag, welke zelfs dienstboden zeer uitoeffenden en dus een mooi sommetje bijeen bragten, maar
90