dezelve menschen bij andere gelegenheden ten uitersten boos en stug tegen anderen zijnde, zomtijds nauwlijks geen antwoord geevende. Een vreemdeling naar den Weg vraagende, krijgt nauwlijks geen gehoor, zoo hij niet al verkeerd teregt geweesen word.
Hunne verlichte denkwijze en %wakke Vooroordeelen. Dezelfden welke veele nieuwe Uitvindingen hemelhoog verheft, heeft het zwak om zulke, welke bij de anderen beuselingen zoms zijn, vind zulk een Vooroordeel plaats, dat men die volstrekt af keurt; ook hunne
Ijdele Praalzucht en Deftige Eenvoudigheid, gevoegd bij stijve Ouderwetschheid en Wufte Modezucht. Dit vertoond zich veelal in de Meubelen en de Kleeding waar bij men soms in een huisgezin en aan dezelve persoon deze gemengde Karakters zeer spreekend vereenigd ziet. Ook betoonen veele eene
Lauwe Onverschilligheid, of Woelzucht, als trekkende zoms dezelve persoon zommige zaken zig in het geheel niet aan, terwijl hij andere met de uiterste beweeging zich aantrekt; van het eerste is zelf Een Spreekwoord „het raakt zijne koude Klederen niet” en dit vind langs zoo meer veld, om geheel onverschillig te zijn. Van hier ook de
Verdraagzaamheid en Stijfhoofdigheid, gaande zoms zoo verre, dat van sommige groote gebreken worden over het hoofd gezien, en kleine ten breedste uitgemeeten worden, en niet ligt vergeeven worden; van hier is mede een Spreekwoord gekomen „het is wel vergeven, maar niet vergeten.” Ja, zommige welke aan de eene zijde veel toe kunnen geven en inschikken, staan aan eene andere zijde zoo sterk op hun eens aangenoomen gevoelen, dat niemand hun daar af kan brengen.
Bij sommige is een Nijvere Werkzaamheid, gepaard met Smaak voor beuzelend Vermaak en Lediggang, zijnde er veelen, welke den gantschen dag zeer zwoegen en zweeten, maar den avond met kaartspelen enz. doorbrengen, of den Tijd in kroegen en Herbergen doorbrengen. Veele ambachtslieden werken soms Zaturdagsnachts en Zondagsmorgens, om dan des Maandags den dag in Ledigheid door te brengen.
Huishoudelijkheid in het Gezin, en 2merig Vertoon in het openbaar; voor veele zoo Mannen als Vrouwen is de Huishoudelijkheid in het Gezin een gewoonte, binnenshuis ziet men er niet naar hoe men gekleed is en zoo nauwgezet is men, dat men op een Turf zelfs zeer zuinig is en alles in huis bezuinigd; maar dezelfde Man of Vrouw gaat niet uit, of is zeer daarop gesteld om gekleed te zijn als de aanzienelijken en dus zeer zwierig en is men uit, dan ziet men op geen Verteering, „Goed laten opschaften en geen Geld ontzien, als men uit is,” is dan de leus van
89