het geval. Want het is een feit, dat onder het vrij groote aantal prostituées, op het einde van de 19de en in het begin van de 20ste eeuw te Amsterdam aanwezig, zoowel in bordeelen als „op de baan”, zich een zeer aanmerkelijk contingent Duitsche vrouwen bevond.
Toen in de jeugd van schrijver dezes handel en industrie zich in de hooid-stad begonnen te ontwikkelen, trokken zij onmiddellijk meisjes uit de arbeidersklasse tot zich, zelfs in zoo aanzienlijke mate, dat sommige gn epen een eigen plaats in het stadsleven innamen. Zoo de „koffiepiksters”, die de koffieboonen uitzochten en sorteerden, alsmede de „waspitter:”, de meisjes, werkende in de toenmalige Waskaarsenfabriek aan de Boere n-wetering (thans Hobbemakade). Het „liederlijk leven” zal, evenals liet „toeleggen op lediggaan”, wel zijn oorsprong hebben gehad in gebrek aan arbeidsgelegenheid.
Er heeft zich trouwens op dit stuk een geweldige verandering voltrokken. De „werkende vrouw”, voorheen een uitzondering, is regel geworden. Aan den arbeid der gemeenschap heeft de vrouw thans een aandeel, weinig minder groot dan dat des mans. Fabrieken, werkplaatsen, kantoren, overheids-bureelen en regeerings-departementen zijn van meisjes en vrouwen vervuld. Of dit, en zoo ja, in welke mate, nu een gunstig verschijnsel is, blijve hier, als vallende buiten de sfeer van dit boel, onbesproken.
In logische sequens gaat de Wijkmeester nu over totmededeelingen nope ns de huwelijken:
„Deze volgens de Leer der Roomschgezinden tot een Sacrament der Kerk behorende, zoo wierden die oudtijds na drie Kerkelijke afkondigingen door den Priester bevestigd. Maar toen den Deken en Provisoor van Amstelland veel verlof tot heimelijke Huwelijken gaven, voor een en Steekpenning, zoo beval het Gerigt in 1525, dat niemand mogt trouwen dan na dat er Drie Kerkelijke Geboden afgekondigd waren, op een boete van 18 Kareis guldens, of een half uur op de kaak staan.
Maar na de verandering der Regeeringe in 1578, wierd het trouwen voor politiek verklaard, en de Regeering stelde Kommissarissen van Huwe-lijksche Zaken, welke in de Oude Kerk, tot na de bouwing van het Stadhuis, de Huwelijken aanteekende; de Verbintenis mogt niet geschieden dan na drie afkondigingen in de Kerke of van het stadhuis, en moest geschieden of door Schepenen of door eene Predikant; laater geschiede de aanteekening op het Stadhuis des Donderdags en Vrijdags, of voor aanzienlijken des middags; geene Huwelijksgeboden wierden verleend aan Jongmans onder de 25 jaren en aan Dochters beneden de 20
84