enz. hebben dit nu veelal afgeschaft, door hun naar die der aanzienlijken te voegen. Veele oeffenen zig in het dansen en in de Muziek, Zingen enz. en worden tot kantoren opgeleid.
De Dochters uit den Middenstand, welke zig voorheen met Bikkelen, Touwtje Springen enz. zich vermaakten, achten dit nu ook veel te gemeen, en leggen zich nu veel toe op zingen, het leezen van Romans, en om in hunne kleeding naar die der aanzienelijken te gelijken. Veele van hun worden dienstbaar.
Die van den geringen Stand (de zoons namentlijk) mede alle de bovenvermelde spelen verachtende, leggen zich nu meest op lediggaan toe, tot zij eindelijk naar Zee gaan, of bij de loting voor de Militie in dezelve vallen, en dus hetzij vrijwillig of gedwongen Soldaat worden; veele van hun gaan ook op Ambachten, en blijven bij dezelve altoos knechts.
De Dochters van den geringen Stand vermaken zig noch enkelde met de boven vermelde spelen, als Touwtje springen, de meeste van hun gaan al vroeg met Visch, Fruiten en Groentens langs de Weg, enkelde worden dienstbaar, maar veele van hun gaan over tot een liederlijk leven en worden ligte Meisjes.”
Het is geen verheffend tafereel, dat de Wijkmeester hier heeft geschetst. Het zegt ons, dat de meisjes uit den aanzienlijken en uit den middenstand een leeg leven leidden, met het huwelijk als eenig doel; werd het gemist, dan het bestaan van „vaatje zuur bier” of oude jongejuffrouw, met afhankelijkheid van bloedverwanten of wellicht een hofje in het vooruitzicht, behalve dan voor haar, die „dienstbaar”, waarschijnlijk kinder- of gezelschapsjuffrouw werden.
Maar dit is nog schitterend, vergeleken bij hetgeen hij schrijft nopens de zonen en dochteren „van den geringen stand”, voor welken hij, blijkens deze en andere uitlatingen, weinig genegenheid en nog minder achting schijnt te hebben gekoesterd.
„De zoons van den geringen stand” legden zich „meest op lediggaan toe”. Zou hier wellicht de geringschatting van den burgerman voor den arbeider tot uiting komen? Wie de geschiedenis van ons volk in de 19de eeuw kent, weet, dat de tijd, waarin de Wijkmeester leefde, een was van diep economisch verval, met geringe industrieele bedrijvigheid, zoodat het „lediggaan” in de meeste gevallen niet vrijwillig zal zijn geweest.
Wat de meisjes betreft, zij werden, volgens den Wijkmeester, ventsters, dienstboden of lichtekooien. Verhoudingscijfers geeft hij niet en dus valt niet na te gaan, of het aantal van haar, die „tot een liederlijk leven” overgingen, aanzienlijk was. Vermoedelijk had hij een pessimistischen kijk op
83