De tempels der dramatische en der muzikale kunst worden schaars bezocht, koffiehuizen en restaurants, eens vol vroolijk leven, zijn drie kwart ledig en niet weinige hebben voorgoed hunne deuren gesloten.
Gestuit is de vaart niet, doch wel belemmerd en vertraagd. Niet verlamd is de kracht, doch wel in haar werking beperkt.
Wij weten het: niet voor de eerste maal vertoonen zich deze verschijnselen. Amsterdam heeft ze in veel grootere mate, in veel geduchter vormen g ekend. Het is zelfs wel zoo met de stad gesteld geweest, dat het den schijn had alsof het leven haar voor altijd zou verlaten, alsof zij een Enkhuizen, een Veere, een Brouwershaven op groote schaal zou worden.
Maar wij weten ook, dat zij zich heeft hersteld, dat zij herwon een groot deel althans van de oude glorie, den ouden rijkdom, van het sterke, machtige leven. En in ons leeft de overtuiging, neen, de zekerheid, dat het ook thans weder zoo zal zijn.
Amsterdam, die groote stad,
Die is gebouwd op palen —
zoo luidt het volksrijmpje, waaraan de titel van dit werk is ontleend. Daniël Willink haalt in zijn Amstellandsche Arkadia deze regels aan van een dichter, J, de Dekkers genaamd:
AMSTELDAM SPREEKT:
Van masten dien ik mij te lande en op de baaren;
Op masten houde ik standt; met masten vlot en vlug Voer ik den Ooster-oegst en al’ des werelds waaren Mijn Amstel in den mondt, mijn Dam op zijnen rug.
Nu zeg, wat masten zijn 5t, die meest mijn welvaart stijven,
Die onder de aarde staan, of boven ’t water drijven?
De palen of de masten? Het is geen vraag. Zij zijn één van oorsprong, van wording, van materie en, voor Amsterdam, van bestemming, van waarde, van beteekenis. Zij dragen de stad in werkelijken en in figuurlijken zin. Zij zijn één met het wezen, met het leven, met de toekomstvan de stad, in de verbeelding van haar dichter, Adama van Scheltema, wiens woorden juist nu profetisch zijn:
Daar gaan opeens weer stille wonderen gebeuren,
Daar valt een vloed van vuur de stoepen af, en al
330