over onze stad een bescheiden bijdrage toe te voegen. Ik heb de stad gekend toen zij, nog niet bekomen van de slagen, haar op het einde der 18de en in het begin der 19de eeuw toegebracht, weinig meer was dan een groote provinciestad. Te midden van haar ontwikkeling tot nieuwen groei en bloei ben ik zelf tot ontwikkeling gekomen. Tot het Amsterdam-sche volk behoor ik, zijn aard, zijn karakter, zijn handel en wandel ken ik, aan zijn leven heb ik deel. Onvergankelijke liefde tot mijn vaderstad is er uit geboren geworden. Zij heeft mij tot een van Amsterdams kampioenen gemaakt. Ik wilde gelijke liefde doen ontstaan bij hen, die haar niet bezitten, haar verhoogen bij degenen, die haar deelachtig zijn. Daarom, nogmaals, zette ik mij tot het schrijven van een simpel relaas van wat ik zelf aanschouwde en beleefde, van wat anderen dan ik ervoeren — een relaas van hetgeen er met de stad in den loop van ongeveer een eeuw is geschied, van het leven, het werken, de aspiraties, de vermaken, het dage-lijksche doen en laten harer burgers.
Het is geen systematisch en geen chronologisch verhaal. Het heeft niet de pretentie volledig, veel minder wetenschappelijk te zijn. Het heeft geen literaire verdiensten. Het bevat wellicht fouten en vergissingen. Maar als het bij u, die het leest, slechts één tiende van de gevoelens wekt, die mij hebben gedreven het te schrijven, dan is het doel, waartoe ik het heb te boek gesteld, bereikt.
Amsterdam heeft zijn ups and downs gekend, tijdperken van phenomenalen bloei, periodes van diep verval. Zoo was het in de achttiende en in de negentiende eeuw. Zoo is het in de twintigste, zij het ook geenszins, dat het verval van heden zou zijn gelijk te stellen met dat van een eeuw geleden. Maar het is toch wel ernstig. De hevige crisis, die de wereld nu reeds zeven jaren teistert, heeft de stad, haar scheepvaart, haar havens, haar nijverheid, haar handel zwaar getroffen. Bij tienduizenden loopen hare arbeiders in gedwongen lediggang door hare straten. Hare havens worden schaars bezocht. Van haar vloot werd een deel vervreemd. Zwaar drukt op haar de last van de ondersteuning der talloozen, aan wier arbeid thans geen behoefte bestaat. Aanzienlijk is het aantal der winkelhuizen, die ledig en verlaten zijn en wier vensters zijn als blinde, doelloos starende oogen. Groote kantoorgebouwen werden opgetrokken in de vette jaren, die aan de magere voorafgingen, maar groot is ook het getal hunner lokalen, voor welke geene gegadigden zich opdoen. Des avonds is de aanblik van de eens zoo vroolijke, levendige binnenstad zoo, dat de aanhef van Jeremia’s klaaglied den aanschouwer in gedachten komt: „Hoe zit die stad zoo eenzaam, die vol volks was! Zij is als een weduwe geworden...”
329