„Het is dat Amsterdam van eeuwen lang geleden,
Dat in verbeelding ons haar schoot weer opendoet:
Zij is de moeder nog van alle wereldsteden,
Haar tooi en trotsche lach weerspieglen in de vloed...
Zie — met haar stijve kraag van dikvergulde torens Zit zij op hare troon, met wal om wal bevracht,
Versierd met groene kant aan ronde hoepelrokken En met een lange stroom als fonkelende sleep.”
Van de „dikvergulde torens” heeft men twee vernietigd en een in de verdrukking gebracht. De „groene kant”, het IJ, werd van de „ronde hoepelrokken”, de grachten, afgesneden. Den „fonkelende sleep”, den Amstel, heeft men gegarneerd met twee ijselijke strooken. Van al de kostelijke, intieme schoonheid, die Vinkeles vereeuwigde, is ons vrijwel niets geblev en. De zandschuit en de moker hebben er een einde aan gemaakt en wai: er voor in de plaats kwam, is in alle opzichten de tegenstelling van hetgeen werd vernield.
Maar ondanks al het aan haar gepleegde geweld, is onze stad nog altijd een wonder van karakteristieke pracht. Het voorgeslacht heeft Amsterdam zoo aangelegd, gebouwd, verzorgd, het zoo rijkelijk met schoonheid begiftigd, dat er, ondanks wat men het heeft ontroofd, nog schatten aanwezig zijn. De schenners, de sloopers, de brekers, de dempers, de van la-len die vernielden en de kwakzalvers die bouwden, de gedachteloozen die ontluisterden en de fantasieloozen die versierden — zij hebben ons schatten ontnomen. Maar er zijn nog schatten gebleven, die tot eiken prijs beschermd, gekoesterd, tegen aanslagen verdedigd, ongerept behouden moeten worden.
Men denke niet, dat het overbodig is zich daarvoor in te spannen, dat er geen gevaren dreigen. Zeker, er is een Schoonheidscommissie. Meer nog, er is zelfs een Commissie voor de Oude Stad. Wat deze Commissies doen, wat zij adviseeren, wat zij bereiken, welke onheilen zij afwenden — men weet het niet, want van hetgeen in hare raadkameren geschiedt, wordt nooit iets vernomen. Het kan dus zijn, dat de Commissie, die over de Oude Stad hare beschermende handen moet uitstrekken, zich heeft uitgesproken tegen de noodelooze, nuttelooze en gevaarlijke demping van het Rokin. Aangenomen, dat het zoo is, dan volgt daaruit, dat zij niet bij machte is zulke euvelen tegen te gaan en er dus voor anderen een taak te verrichten blijft.
Ik noemde de demping van het Rokin van den Dam tot het Spui noode-
326