loos en nutteloos (omdat het verkeer er niet door zal worden gebaat, daar immers de rijweg niet breeder kan worden dan hij nu reeds is, niet breeder namelijk dan het straatje tusschen het gebouw Industria en den kleeren-winkel aan den overkant), doch ook gevaarlijk. Waarom? Omdat als het thans ten ondergang gedoemde gedeelte van het Rokin zal zijn gedempt, op den duur demping van het overgebleven gedeelte, van het Spui tot de Munt, niet zal uitblijven. Als dit geschiedt, dan worden Grimburgwal, O.Z. Voor- en Achterburgwallen modderpoelen en zullen ook zij gedempt worden, als wanneer het geheele oudste grachtenstelsel zal vernietigd zijn, want de helft op de Nieuwe Zijde heeft reeds lang geleden dit lot ondergaan.
Misschien zal men zeggen, dat er geen reden is voor zulk een sombere prognose. Maar dan herinnere men zich — het zal niet moeilijk vallen, want het is nog slechts kort geleden — hoe geruststellend werd verkondigd, dat met de demping van het stukje Rokin, hetwelk thans tot parkeerplaats dient, volstaan zou kunnen worden en bedenke men, dat nu reeds de demping wordt voortgezet tot de Langebrugsteeg. Wie zal, met dit feit voor oogen, kunnen volhouden, dat hetgeen zooeven werd voorspeld, grond mist? Wie, die de geschiedenis van onze stad kent, zou durven zeggen, dat het tijdperk der vernielingen voorgoed achter ons ligt? Zeker, men doet thans niet zoo lichtvaardig als een eeuw, als een halve eeuw geleden. Er heerschen andere opvattingen. Men gaat niet zoo plomp te werk als voorheen. Het zij gaarne toegegeven. Maar toch... men denkeeens aan hetgeen geschiedt met het oude Buitengasthuis, het Pesthuis, een monumentaal gebouw, oud, eerbied- en merkwaardig, dat zoowel om zijn architectonische, als ter wille van zijn historische beteekenis gespaard had moeten blijven. Het is niet geschied; men heeft er de schennende hand aan geslagen; het is reeds ten deele vernietigd; het is tot volledigen ondergang opgeschreven. Men kan daar tegenover stellen, dat men met aanzienlijke geldelijke offers de gevels van het Prinsenhof (Raadhuis) en van de Vleeschhal (Girokantoor) bij de respectieve verbouwingen heeft behouden (de laatst-bedoelde gevel was de kosten niet waard), en niet ten onrechte. Doch het geval van het Buitengasthuis bewijst, dat men, ondanks nieuwen geest, betere opvattingen, grootere piëteit, toch nooit tegen vandalistische verrassingen gewaarborgd is.
Dit niet alleen wat afbreken, doch ook wat bouwen betreft. Reeds is gewag gemaakt van het bouwen van uit den toon vallende, tegen hunne omgeving schreeuwende huizen op de hoofdgrachten en elders. Maar erger dreigt. Vele architecten zijn verslaafd aan wat zij noemen „het nieuwe
327