„Een heldere hand heeft met de morgenvorst Van ’t klotsend water en de kale boomen,
En al de huizen aan de wijde gracht,
De laatste dunne nevels afgenomen —
Nu staan zij naakt en schoon, en pronken met Hun zuiver glanzende voorname kleuren,
Hun diepe glas en roomwitte kozijn,
Hun blauwe stoepe’ en donkergroene deuren,
En ’t paars, en ’t bruin, en ’t grijze kroonwerk van Hun oudgepruikte en gekrulde koppen.”
Weinige van deze huizen zijn nog woonverblijven. Zij zijn bijna alle banken en kantoren geworden. Sommige van hen, die daar hunne zaken drijven, hebben zich beijverd het karakter der oude, deftige huizen te behouden, ja, het zelfs te herstellen waar het was verloren gegaan — eere zij hun! Maar in de meeste gevallen wordt zulke piëteit betracht more in the breach than in the observance. Vooral in den winter, als het voor vier uur reeds donker is, zijn de grachten niet om aan te zien; want bijna nergens zijn de gordijnen gesloten, zoodat de tot kantoorlokalen verhanselde vertrekken in het barbaarsche licht van de nuchtere melkglazen electri-sche bollen open liggen. Het silhouet van eertijds in half-duister gehulde, statige huizen, hier en daar door een bescheiden lichtglans verlevendigd, is dan als dat van een groote, rommelige fabriek. Alleen des avonds, als de auto’s verdwenen en de lichten gedoofd zijn, vertoonen de grachten nog eenigermate het oude beeld en dan denkt de aandachtige en gevoelige mensch aan Jeremia’s klaagzang: „Zij weent steeds des nachts en hare tranen loopen over hare kaken; zij heeft geen trooster onder alle hare liefhebbers; alle hare vrienden hebben trouweloos met haar gehandeld; zij zijn haar tot vijanden geworden.”
Van alle dagen der week is het slechts de Zondag, die toelaat de grandioze grachten te zien, ongeveer zooals zij eenmaal zijn geweest.
Het is met tal van andere, eertijds fraaie, deftige grachten en straten even-zoo gesteld. Ik weet wel, het is in vele groote steden als hier, in ons land en in het buitenland niet anders. Men ziet het te ’s Gravenhage en te Rotterdam, te Weenen en te Londen. Het is onvermijdelijk. De oude huizen, zegt men, bieden niet het comfort van die thans worden gebouwd. Het aantal van degenen, vermogend genoeg om de groote heerenhuizen te bewonen, is te gering. Men kan het voor zulke huizen benoodigde dienstpersoneel niet krijgen. Men wil niet langer wonen in de drukke binnen
324