Het fraaie gezicht op den Buiten-Amstel werd door den, later noodeloos gebleken, bouw van een gasfabriek, bedorven. Men gedoogde, nog in onze dagen, dat een paar ultra-conventioneele architecten, die tot een lang afgesloten en weinig betreurd tijdperk behooren, beschermelingen van eenige tabaks-magnaten, een Koloniaal Instituut bouwden in mislukte renaissance-nabootsing. Men gedoogde, dat op de Reguliersbreestraat twee bioscopen werden gebouwd, deeenemeteenallerbelachelijkstgroven tirelantijnen-gevel, de andere in allerijselijkste „zakelijkheid”. Men gedoogde, dat Hendrick de Keysers fijne Munttorentje werd overdonderd door een hoog en met even reusachtig als hideus beeldhouwwerk „versierd” hotelgebouw. Men gedoogde, dat op de hoofdgrachten tal van groote, opdringerige, banale, door vorm en kleur geheel uit den toon vallende gebouwen werden gezet. Men gedoogde, dat buitensporig hooge gebouwen werden gemaakt, die de prachtige stadsgezichten verpletteren. Men laat toe, dat tot kantoorgebouwen gedegradeerde patriciërs-huizen aan de hoofdgrachten behangen of beschilderd worden met opdringerige naam- en reclame-aankondigingen. Men laat toe, dat mooie punten worden bedorven door vervaarlijke installaties voorlicht-reclame. Men dempt de helft van het historische Rokin, zoogenaamd ten dienste van het verkeer, dat er echter niet mede wordt gebaat, in werkelijkheid om er een parkeerplaats voor automobielen van te maken. Met hetzelfde doel werd reeds besloten tot het opruimen van het plantsoen op de Prins Hendrikkade tegenover het Centraal Station, het eenige stukje groen in dit geschonden en bedorven stadsdeel. Ten einde de automobielen een omweg van enkele honderdtallen meters te besparen, wil men een dijk leggen dwars door het Vondelpark en een door braak maken in de Roemer Visscherstraat en de Vondelstraat, die de ondergang zal worden van deze beide straten, de best geslaagde van den geheelen uitleg na 1870.
De automobiel... voor haar schijnt alles te moeten wijken, aan haar schijnt alles te moeten worden opgeofferd: Rokin, Prins Hendrikplant-soen, het aardige pleintje voor de Beurs, met zijn boomen, zijn vier fonteinen, het groote stadswapen in de bestrating. En de hoofdgrachten, die op den dag het aankijken nauwelijks meer waard zijn, nu daar eindelooze reeksen automobielen op de wallekanten, tusschen de boomen, van ’s morgens tot ’s avonds worden gestald.
De Heerengracht en de Keizersgracht — als ik er loop, als ik ze zie, wordt het mij, ouden Amsterdammer, droef te moede.
Het was daar eens, zooals Adama van Scheltema het zegt in het epos, dat hij, een zoon van de oude stad, aan haar heeft gewijd:
323