EPILOOG
n.___
dan optrad, eveneens. De schrijver zal, nu zijn taak bijna is geëindigd en hij weldra afscheid zal nemen van den lezer, zich rechtstreeks tot hem richten. Want het oogmerk, waarmede dit boek werd geschreven, vordert een persoonlijk woord, bedoeld van hart tot hart te gaan. Den schrijver, immers, bewoog liefde tot Amsterdam het te schrijven en slechts gelijke liefde, althans groote belangstelling kan den vriendelijken en geduldigen lezer hebben bewogen er kennis van te nemen.
Het oogmerk, waarmede dit boek werd geschreven, zeg ik. Wat was het? Het kan met weinige en eenvoudige woorden worden gezegd: iets bij te dragen tot het stuiten van de aantasting van Amsterdams schoonheid— de aantasting, die vaak zoo langzaam in haar werk gaat, dat zij bijna niet waarneembaar is, doch ook wel snel en hevig uitschiet en dan ontstellende vernietiging wordt.
Brugmans schrijft in zijn monumentale Geschiedenis van Amsterdam, deel VIII, blz. 407 e.v.:
„En wij mogen daarbij ook nog wel opmerken, dat het stadsschoon van Amsterdam door den spoorwegaanleg en den stationsbouw hopeloos en reddeloos is geschonden. Wie nu van den overkant van het IJ Amsterdam overziet en dit profiel vergelijkt met de oude afbeeldingen van hetzelfde aspect in vroegere eeuwen, die zal kunnen constateeren, hoeveel schoons hier is teloor gegaan. Het was in deze jaren, dat meer stadsschoon verloren ging; het was de tijd van het sloopend en dempend herboren Amsterdam. Maar het was geen wedergeboorte in schoonheid, integendeel.
Na 1870 begint de afbraak van het oude, schilderachtige Amsterdam, dat zich tot dien tijd vrijwel ongerept had kunnen handhaven. Al dadelijk zijn de veranderingen in de binnenstad zelden verfraaiingen geweest.
21 321