ling, daalder. Dit zijn alle namen van niet meer bestaande munten. In het verleden was het namelijk met de munten eigenaardig gesteld. Zij waren er in vele soorten. Er was namelijk geen rijksmunt, doch de provinciën en vele steden sloegen geld. Zoo werd in 1672 het wachthuis aan den Regulierstoren tot stedelijke munt ingericht (vandaar dat hij nu Munttoren heet en het pleintje, dat het volk Muntsluis noemde, Muntplein werd genoemd), hetgeen tot 1795 zoo bleef. In de 16de en 17de eeuw was het op dit stuk een warboel; er werden, behalve eigen munten, allerlei buitenlandsche gebruikt, vooral in het handelsverkeer. In den loop van de 17de eeuw werd dit eenigszins anders. Er werden zekere regelen betreffende de betaalmiddelen gesteld. Het aantal en de soorten toegelaten geldswaarden werden sterk verminderd. In den Franschen tijd werd op dit stuk nog verder gegaan. Doch na de restauratie werd de 17de-eeuwsche toestand hersteld.
Maar nu komt Wijkmeester Meijer aan het woord, om ons te vertellen hoe het vlak voor en in zijn tijd was gesteld:
„Met het j aar 1817 kwam er eene geheele verandering in het Muntstelsel, gelijk ook in de Maten en Gewichten, door het invoeren van het Decimaal of Tientallig Stelsel. Men rekende nu bij Centen aldus:
Dukaton...................f 3-15
Zeeuwsche Rijksdaalder.............„2.60
Hollandsche dito................. 2.50
Halve Dukaton................
Daalder..................... 1.50
Achtentwintig of Goudgulden..........„ 1.40
Halve Zeeuwsche Rijksdaalder..........„ 1.30
Halve Rijksdaalder...............„ 1.25
Gulden....................,, 1.00
Kwart Zeeuwsche Rijksdaalder.........,, 0.65
Dertiendehalf.................„ o.621/2
Halve Gulden.................„ 0.50
Acht.....................„ 0.40
Achtste Zeeuwsche Rijksdaalder of Pietje.....„ 0.3272
Schelling...................„ 0.30
Zesthalf...................„ 0.27V2
Kwartgulden.................„ 0.25
Dubbeltje...................„o. 10
Stuiver....................„ 0.05
319