Amsterdam, die groote stad

Titel
Amsterdam, die groote stad

Jaar
1936

Druk
1936

Overig
1ed 1936

Pagina's
353



digen aan de snoeptafeltjes. Men vond ze in de volksbuurten, gewoonlijk in onderhuizen of kelders, dikwijls als side line van een water- en vuur-nering, doch ook wel als zelfstandige handels-ondernemingen van vro uwen, wier echtgenooten venters of losse arbeiders waren.

Op de snoeptafels stonden vele schoteltjes, waarop gewoonlijk de volgt n-de delicatessen: zoethout, pijpkaneel, balletjes, stroopballen, kleurballrn, pepermuntstokken, pepermunt-suikertjes, reepen ordinaire chocolade, drop, anijsdrop, veterdrop, kaneelhompen, okkeboontjes (kleine gebrande molleboonen) en in hunne respectieve seizoenen „maatjes” klapbesst :ri, kersen, beukenootjes en gedroogde kastanjes. Sommige etaleerden cok wel geschraapte tuinworteltjes.

De koopkracht van het geld was omstreeks zestig jaar geleden grooter dan in onzen tijd en zoo kon het kind, dat over slechts één cent beschikte, z^ch reeds voorzien van vier balletjes, twee stroop- of kleurballen, een peper-muntstok, een hoeveelheid zoethout enz. Wie twee centen bezat, vermocht zich in het bezit te stellen van een reepje chocolade, een kleir en voorraad pijpkaneel of een kaneelhomp. Voor een stuiver kon men genoeg inslaan om zich voor drie dagen een bedorven maag te verschaffen. De ijswafel heeft de snoeptafel vrijwel verdrongen. Zij is zeldzaam, i oo al niet onvindbaar geworden.

Valuta. Onze tegenwoordige geldstukken dragen officieele namen, ^n welke alleen cent, stuiver, gulden en rijksdaalder algemeen worden gebruikt. Maar niemand zegt tienguldenstuk of kwartgulden. Men spre ekt van tientje, kwartje, dubbeltje. De uitdrukking „gouden Willem” is waarschijnlijk nooit iemand over de lippen gekomen, zeker geen Amsterdammer.

Maar in den volksmond hebben de geldstukken nog andere namen. Als volgt:

De gulden: pop — zoof (Hebreeuwsch zoohof = goud) — piek — pieterman; de beide laatste uitdrukkingen worden slechts gebruikt bij getallen: twintig piek, twaalf pieterman.

De Rijksdaalder: riks, rikspop, knaak.

Het kwartje: maffie, heitje (Hebreeuwsche letter hei, getalwaarde vijf, dus vijf stuivers).

Het dubbeltje: duppie, dubloentje, beisie (Hebreeuwsche letter beis, getalwaarde twee, dus twee stuivers).

De halve stuiver: plak, vierduitsstuk.

De oudere Amsterdammers gewagen echter ook van duit, stooter, schel


318

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.