sche hebben gelijksoortige refreinen: Ranzo, boys, Ranzo — And singhiho, my Ranzo.
Te Amsterdam waren de voornaamste van deze arbeidsliederen die van de heiers. Voor dat de locomobiel haar intrede deed (zij is op haar beurt door een electrisch toestel vervangen), trokken de heiers het blok omhoog, tien of twaalf man, elk aan een touw, alle touwen verbonden met dat waaraan het blok hing. Het optrekken en loslaten moest natuurlijk precies gelijktijdig geschieden en daartoe zong de voorman-heier of ploegbaas liederen, op welker rhythme getrokken en losgelaten werd. Schrijver dezes heeft het in zijn jeugd tallooze malen gezien en gehoord, doch was te jong om te begrijpen, dat men zulke dingen moet opteekenen, omdat zij bestemd zijn „folklore” te worden. Hij heeft ook geen dezer liederen onthouden, behalve één regel:
Hé, o hé, haal op die hé!
Hij heeft velen tijdgenooten en ouderen gevraagd, of zij zich de woorden dezer heiersliederen herinnerden, doch het resultaat was negatief.
De machine heeft ook uit het heiersbedrijf de menschen verdrongen en daarmede is het arbeidsgezang verdwenen.
De Imperial Continental Gas Association, de Engelsche maatschappij, aan welke ongeveer een halve eeuw geleden de gas-concessie werd toegewezen, liet door Engelsche arbeiders haar buizen in de straten leggen, en ook daarbij lieten de voorlieden een gezang hooren, op welks rhythme de buizen verschoven en in de geulen neergelegd werden.
Thans kan men nog wel eens iets van dezen aard ervaren, namelijk als electrische kabels, na van hunne klossen te zijn afgerold, in de geulen worden gelegd. Dit geschiedt ook door gelijktijdige rukken van een aantal mannen. De ploegbaas geeft dan rhythme en tempo aan door te blazen op een ééntonigen hoorn. De methode is gelijk aan die der zeelieden en heiers van voorheen, maar de romantiek is ook hier verdwenen en de „zakelijkheid” in haar plaats gekomen — een van de vele kleine, doch niettemin betreurenswaardige verarmingen, die het leven heeft ondergaan.
Snoeptafeltjes. Tot de geneugten van de jeugd behoorden voorheen de snoeptafeltjes. De Ijsco was nog niet uitgevonden, en de D.A.V.I.A. (initialen van „de aangenaamste verfrissching in Amsterdam”) ongeboren. Maar het verlangen naar lekkers was in vroegere geslachten van knapen en meisjes niet geringer dan bij de tegenwoordige. Degenen nu, wier geldmiddelen zelden grooter waren dan eenige centen, konden het bevre
3*7