gewone gelegendheden gedronken en de mingegoede drinken weinig of nooit geheel geen wijn.”
Zoo is het, in het algemeen gesproken, gebleven. Maar „de meer gegoede” zijn toch niet van een glaasje port, vermouth, sherry afkeerig en „over de tafel,” alsmede „bij buitengewone gelegenheden” komen ook wel andere wijnen dan „Bourdeaux” op de proppen.
Amsterdam als bankier. Ons goede Amsterdam is ongeveer anderhalve eeuw lang bankier geweest en gedurende het grootste gedeelte van dat tijdperk de voornaamste bankier van Europa. Het karakter van dit boek laat niet toe over deze zaak uit te weiden. Het zou ook overbodig zijn, want het is herhaaldelijk gedaan, uitvoeriger, beter en zaakkundiger dan hier zou mogelijk wezen. Maar het is toch niet onaardig, al ware het slechts bij wijze van aanloop tot de eigenlijke bedoeling van deze paragraaf, aan te halen wat een der voornaamste Engelsche economen uit het laatst der vorige eeuw, professor J. E. Thorold Rogers, er over zegt in zijn The Economie Interpretation of History:
„Philips (de Tweede, van Spanje), wij weten het allen, werd verarmd en met hem het onder zijn wanbestuur staande land, door zijn poging tot onderwerping van de Hollanders. Hollands tegenstand was van oneindig grootere beteekenis, dan die van Athene 2000 jaar te voren. De val van Philips was veel vollediger dan die van Xerxes, want hij nam vijftig jaren van zijn regeering en die van zijn zoon in beslag en was van onschatbare waarde voor de scholing der Hollanders. Tegen het einde van de worsteling besloten de Hollanders een bank te stichten. Zij volgden in 1609 niet het voorbeeld van Genua, welks ervaringen niet bemoedigend waren. Ook zij vestigden een deposito-bank naar het model van de oude Venetiaan-sche en even later volgde Hamburg, de eenige Hansestad, die haar ouden voorspoed had behouden, het Hollandsche voorbeeld. Men zal zich herinneren, dat Amsterdam in dien tijd de Beurs van Europa was, zooals Venetië ten tijde van de Kruistochten was geweest. Amsterdam verrees door zijn eigen heldhaftigheid en kracht, en op de ruïne van Antwerpen. Het is jammer, te moeten zeggen, dat Engeland, hetwelk meer verschuldigd is aan de Hollanders dan aan eenig ander volk, niet ophield te intri-geeren tot het Holland en de Bank had geruïneerd. Dit werd bevorderd door het Hollandsche onverstand. Om redenen, die thans niet behandeld kunnen worden, bezigden de Hollanders (ondanks de Burgemeesters en de Raden van Amsterdam jaarlijks onder eede verklaarden, dat het bezit van de Bank onaangeroerd was, hetgeen in 1672 ook bleek het geval te
313