Wat ware tog der vrouwen lot,
Kon niet de geur’ge Koffijpot Haar zinnen vaak vermaken.
De zachte scherts, de zoete kout,
Verloor gewis het geestig zout,
Dat immer d’aandacht boeide.
En na een algemeen gegaap Viel een gezelschap wis in slaap,
Zoo niet de koffij vloeide.
De vrede tusschen Man en Vrouw Zou men, ondanks oprechte trouw,
Veel minder zien betrachten,
Waar ’t smaaklijk kopje koffij niet Een tegengif voor ’t stil verdriet,
Als manlief zich laat wachten.
Ja, ieder onzer stelt gewis,
Dat koffij onontbeerlijk is Als heulsap in het leven.
Lang bloeije dan de Koffijplant En met haar d’eedle handelstand!
Zoo zal z’ons nooit begeven!
Het algemeen gebruik was voorheen: thee aan het ontbijt; om n uur en aan de lunch koffie; thee des avonds na tafel.
Bij de Joden werd bovendien in de namiddag en des avonds laat koffie met koek gebruikt. Thans is het nog vrijwel aldus, doch daarbij is de Engelsche gewoonte van in den namiddag thee te drinken algemeen in-geburgerd. Voor winkelende dames, en ook voor anderen van beide geslachten, zijn thans in de stad overal theehuizen te vinden.
Als vierde volksdrank noemt Meyer de „genever” en hij zegt dienaangaande het volgende:
„Deze is de lievelingsdrank van den gemeenen man. Hieruit meent dezelve zijne krachten te putten en de kwade dampen weg te spoelen. Men meent dezelve niet minder dan het brood te kunnen ontbeeren. Alle morgen drinkt men doorgaans een half slokkie, zoo genoemd, en ook is dit tot een gebruik in de huisgezinnen geworden, waardoor de meesten des middags norsch en ontevreden zijn. En waren dit alleen