„dat er geene gesmoorde of gestorvene ossen, koeijen, kalveren, schapen of varkens zoude mogen verkogt of in tonnen gepakt van buiten ingevoerd worden.” Erwierden Keurmeesters aangesteld en Vleeschhallen opgerigt; doch in 1811 wierden deze door het Fransch bestuur afgeschaft en de toe-zigt over het vleesch hield op. Doch in November 1814 wierden de Vleeschhallen weder hersteld en de Keuren op het vleesch ook hernieuwd. In 1815 wierd voor de beiden Joodsche Gemeentens op de Deventer Houtmarkt een geheel nieuwe Vleeschhal gebouwd en den 28 December 1815 gebood de Regeering dat daar niet alleen voor de Joden vleesch zouden worden verkocht buiten alle de andere Hallen, maar dat hetzelve ook door ieder verkrijgbaar zoude zijn, tegen de prijzen welke aan de Joodsche Synagoge aangeplakt worden. Er waren dus in 1815, evenals van ouds, vier, en de Joodsche vijf Vleeschhallen, als:
1. De groote Hal in de Nes (sedert tot pakhuis gebruikt).
2. De Hal op de Botermarkt (deze was wel een geruimen tijd geslooten, doch wierd in 1837 weder tot een Hal ingerigt en is thans in 1839 de eenige Hal, die in de Stad is, buiten de Joodsche).
3. De Westerhal, op de Westermarkt (thans tot een stadsschool ingericlit).
4. De Heerenmarkthal (later weggebroken).
5. De Joodsche op de Houtmarkt.”
Geen van deze hallen bestaat meer. De hal in de Nes herbergde later de Stadsdrukkerij en bevat thans, na herbouwing, het Gemeentelijk Girokantoor. Bij de verbouwing werd de oude gevel met de ossekoppen, ; tan den O.Z. Voorburgwal, gespaard.
De beide Joodsche gemeenten hebben nog altijd een groote, onlangs geheel vernieuwde vleeschhal in de Nieuwe Amstelstraat en dit wel om het toezicht op de ritueele voorschriften nopens het vleesch doeltreffend te kunnen uitoefenen.
„Ook zijn er,” zegt Meijer, „nog een menigte Wild- en Vogelverkoopers of Polieren in deze Stad, welke hazen, konijnen (doch deze veel minder, daar op last van het Gouvernement de uitroeijng van dezelve bevolen is, wegens het beschadigen der Duinen) en eendvogels verkopen.”
Van deze uitroeiing van konijnen is niet bijster veel terechtgekomen. Desondanks worden de duinen niet beschadigd. Zij worden afgegraven. Het „Gouvernement” zelf werkt tot deze ongehoorde vernieling van een kostelijk volksbezit ijverig mede, getuige hetgeen nog onlangs is geschied met het duin tusschen Katwijk en Noordwijk.
Ten slotte de visch. Hiervan zegt Meijer het volgende:
„Deze is voor zeer veele der Amsterdammers eene, hoewel kostbare, doch
308