koope prijs, van de Leidsche kaas, welke met de geringe soorten van boter in een zeer groot aantal winkels, Vettewaariers of Kom en Eisch winkels genoemd, in huizen en kelders verkocht worden — wordende zedert eeni-ge jaren de kaas ook met kruywagens langs de straten verkocht.”
Nopens de „groentens en fruiten” vernemen wij het volgende:
„Deze eerste zijn zeer voortreffelijk en door de vlijt der ons omgevende Groenboeren vroeger dan op andere plaatsen voorhanden. Hierom zijn ook voor dezelve veele Markten geschikt, als op de Prinsengracht, Oude Kerksplein en Nieuwe Heerengracht, behalve eene groote menigte groenhuisen en kelders, en behalve nog de zeer menigvuldige met kruiwagens langs de Straaten uitventingen van dezelve.
Doch het meest begeerde van dezelfde zijn de Aardappelen, welke tegens-woordig de geliefkooste spijse van Rijk en Arm is en welke meest alle dagen gegeeten worden; bij de geringen klasse dienen dezelve des avonds veelal voor brood. Men onderscheid dezelve in Zeeuwsche, Vriessche en Gelderse Zeeuwsche aardappelen. Veele der ingezetenen leggen van deze Groentens in voor den Winter, als snijboonen, aspergieboonen en witte of zoogenaamde zuurkool, maar vooral voorzien de meeste zig van een goede voorraad van aardappelen, maar van welke bij harde winters zeer veele bevriesen.
Van de Fruiten, van welke de fijne doorgaans zeer duur zijn, word weinig gebruik gemaakt dan door de Rijken; maar van de mindere soort, als Aardbesiën, Kerssen, Aalbessen, Klapbessen, Pruimen, Appelen en Pee-ren, wordt eene groote menigte zelfs door kinderen langs de Straaten gegeten. Jaa! veele zijn daar zoo aan gehegt, dat zelfs ten tijde der Cholera in 1832 tegen het Verbod desweegens, veele niet konden nalaten Pruimen en Klapbessen te eeten.”
Het blijkt dus, dat vele soorten aardappelen, Roode Star, Bravo’s, Eigenheimers e.d. in Meijers tijd onbekend waren. Het zullen dus wel na zijn tijd ontstane kweekproducten wezen. Maar in schrijvers jeugd kende men zand- en duinzand-aardappelen, alsmede Andijker muisjes, alle welke als bijzonder fijn golden, en ook van hen maakt de Wijkmeester geen gewag. De aardappelen werden voorheen bij de maat, gewoonlijk bij vijf kop, verkocht; boonen gingen bij getal, evenals peren en appelen; thans gaat alles bij gewicht.
Wat het dierlijk voedsel aangaat, blijkt uit Meijers aanteekeningen, dat toezicht op de hoedanigheid van vleesch en visch niet iets van onze dagen is. Hij schrijft:
„Reeds bij eene Keur van 1595 zorgde de Regeering der Stad daarvoor,
3°7