Amsterdam, die groote stad

Titel
Amsterdam, die groote stad

Jaar
1936

Druk
1936

Overig
1ed 1936

Pagina's
353



leedigd door de diabolische licht-orgiën. Voeg daarbij het zinnelooze jagen en jachten, snelheid, tempo, nog vlugger dit, nog razender dat, motor, auto, dieseltrein, vliegmachine, rep je, rep je, dagen in plaats van weken, uren in plaats van dagen, claxon, gesproken courant, televisie — waar blijft de rust, waar de bezinning, waar de ziel, waar de mensen?

Er zijn echter nog reclames, die geen uithangteekens zijn en ook geen vuur uitstralen, doch daarom niet minder verfoeilijk: de op groote muurvlak-ten met koeien van letters geschilderde. Zij worden uiteraard — want anders zou het geen reclame wezen — het meest aangetroffen op plaatsen, waar men er niet aan kan ontkomen ze te zien, hetgeen zeggen wil: op vele mooie plaatsen, die zij dan ook grandioos bederven. Er bestaan provinciale verordeningen, die soortgelijke reclame langs en bij de wegen verbieden. Zou het onmogelijk zijn een gemeentelijke verordening van zulke strekking in het leven te roepen? De mooie stad, hare mooiste punten te beschermen tegen deze heidensche besmeuring, mag het Gemeentebestuur toch wel beschouwen als een plicht tegenover het kostelijk goed, dat aan zijne hoede is toevertrouwd.

Levensonderhoud. Volgens het bekende liedje kostte in den goeden, ouden tijd, die nooit weerom komt, „een pondje boter maar een stooter”, dus twaalf en een halve cent; en algemeen werd aangenomen, dat alle levensmiddelen eveneens zeer goedkoop waren. Nu is alles betrekkelijk. Ine ien de kosten van het levensonderhoud in de ongedefinieerde periode, die ,de oude tijd” wordt genoemd, gemeten volgens den standaard van botei ad ƒ o. 12^j % het pond, vergezeld gingen van inkomsten, loonen en bezoldigingen als die van heden, dan zouden in gezegden „ouden tijd” de meeste menschen in een soort luilekkerland hebben geleefd. Maar als de loonen enz. in dat tijdsgewricht op een peil stonden, analoog aan dat van de prijzen, dan kon de levenspositie van de groote meerderheid wel eens wat minder rooskleurig zijn geweest.

Wijkmeester Meijer deelt mede: „In het jaar 1482 verdienden de Werkbazen 2 stuivers daags en de Knechts een en een halve stuiver.” Een ambachtsman zou dus dan, indien in zijn dagen het pondje boter een stooter kostte, ruim anderhalven dag hebben moeten werken om dat pondje te bekostigen.

Maar hoe was het met deze dingen gesteld, niet vijf eeuwen geleden, doch bij den aanvang van het tijdperk, dat hier in oogenschouw wordt genomen? Wijkmeester Meijer deelt ons een en ander dienaangaande mede, dat in staat stelt zich een voorstelling te maken van de kosten van het


304

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.