jaren kwam een rivaal : Van Laar, in de Kalverstraat. In de periode van voorspoed, die aan den wereldoorlog voorafging, alsook gedurende den oorlog zelf en het tijdsgewricht der O.W.-ers, verrezen er echter vele: Bagatelle, Van der Molen, Dikker & Thijs, Trianon, het Paviljoen Vondelpark, Taverne Louis XVI, enz. De meeste zijn echter verdwenen; de crisis vooral heeft vele genekt. Toch zijn andere verrezen: Carlton, Astoria enz.
Buiten en boven dit alles stond Couturier, gevestigd in twee prachtige patriciërshuizen op de Keizersgracht bij de Vijzelstraat. Daar gaven de ver-mogenden hunne partijen, vierden zij hunne zilveren en andere bruiloften, daar ontving ook de Gemeente hare officieele gasten. Doch ook deze glorie taande en vervloog. Couturier verdween. In de gebouwen werd het kantoor van Krueger & Toll gevestigd. Ook dit verdween — en hoe! — spoedig. Thans is er een bank-instelling.
Uithangteekens. Evenals alle andere steden was, en is, Amsterdam rijk aan teekens van allerlei aard, bevestigd aan winkelhuizen, werkplaatsen enz., die den voorbijganger mededeelen wat daarbinnen verkocht of verricht wordt. Over zulke teekens is heel wat geschreven. Van Lennep en Ter Gouw hebben de uithangborden uitvoerig behandeld en daar vele kunstwaarde bezaten als schilder-, smeed- en beeldhouwwerk, hebben ook kunsthistorici er zich mede bezig gehouden, en dit niet uitsluitend hier te lande.
Het ligt uiteraard niet in de bedoeling, hier een uitvoerige verhandeling aangaande dit onderwerp te geven, zelfs geen beknopte, doch slechts ee 1 woord te wijden aan eenige van algemeenen aard, aan zulke namelijk, die bepaalden bedrijven eigen waren.
Een voornaam teeken van dezen aard was de gaper. Men ziet hem nog wel eens, doch zeldzaam, en in de provincie meer dan te Amsterdam. In het verleden echter was geen apotheek of drogisterij er zonder. Gewoonlijk was het de kop van een Oosterling, Moor, Saraceen of Turk, compleet met tulband, soms met vervaarlijke snorrebaarden, doch altijd met wijd geopenden mond. Over de beteekenis van den gaper zijn de geleerden het niet eens. Het meest aanvaard wordt de lezing, dat de bedoeling was de perplexie uit te drukken van de leeken, die niet in staat zijn het potjeslatijn van de namen der medicamenten te onthouden en dus met den mond vol tanden staan als zij hunne bestelling moeten doen. Het is mogelijk dat zij de juiste is, maar dan is het toch niet duidelijk waarom altijd juist een zoon des oriënts tot zinnebeeld van dit geestelijk onvermogen moest dienen.
302