Amsterdam, die groote stad

Titel
Amsterdam, die groote stad

Jaar
1936

Druk
1936

Overig
1ed 1936

Pagina's
353



aanschouwe van de belangstellende jeugd, plus de nooit ontbrekende straatslijpers.

Vele loodgieters verrichtten allerlei werkzaamheden op de stoepen vóór hunne winkels of werkplaatsen. Vrijwel allen goten daar de staafjes soldeer, die een zoo belangrijk ingrediënt van hun ambacht zijn. Maar ook werd er blik, zink en bladkoper op maat of model gesneden en klein soldeerwerk verricht.

In den Jodenhoek verbleven eenige „koude smeden”, menschen, die metaal bewerkten, zonder dat er vuur aan te pas kwam. Zij sneden blik aan reepen en ponsten er gaten in; bestemming: hoekband voor kisten. Zij verrichtten hunnen arbeid op de straat voor hunne woningen.

Tot voor weinige jaren kon men op de Prins Hendrikkade bij de Oude Waal, aan den hier door hekwerk beschermden waterkant, een zeer interessant bedrijf zien uitoefenen: het maken van masten voor kleine schepen, vaarboomen en ander rondhout. Met feillooze vaardigheid bewerkte de ouderwetsche ambachtsman met bijl en allerlei messen de boomstammetjes en maakte er de kaarsrechte, volmaakt ronde, zooeven genoemde voorwerpen van, geheel uit de hand. Het is wel zeer jammer, dat deze uitoefening van een oud, echt Hollandsch handwerk van de straat is verdwenen.

Verdwenen is ook het openbaar slachten van runderen en varkens, hetgeen weliswaar niet op straat, doch wel „zoo goed als” geschiedde, namelijk in geheel open stallen of in eveneens open kelders, zoodat het lugubere, bloedige bedrijf van de straat af te aanschouwen viel en ook aanschouw d werd, vooral door massa’s kinderen. Sedert vele jaren geleden reeds het Abattoir werd in dienst gesteld, is aan deze ellendige publieke vertoonin-gen een einde gekomen.

Niet in den eigenlijken zin des woords op straat, maar toch wel zeer na aan de straat, werd eertijds het beroep van schoenmaker (eigenlijk schoenlapper, doch dit zegt men te Amsterdam niet) uitgeoefend in de aanbouwsels, die men pothuizen noemde. Zij zijn zeldzaam geworden; met hunne verdwijning is ook weder een stukje oud-Amsterdamsch volksleven verdwenen.

Wijkmeester Meijer heeft op dit stuk het volgende mede te deelen: „Ook is meermalen verboden het leggen van goederen op de straten en het werken van timmerlieden enz. op de wallen, doch zonder eenige vrugt.” Later is dit met meer „vrugt” geschied: er wordt op de straat geen ambacht meer uitgeoefend en daar de wallen verdwenen zijn, kunnen de timmerlieden er geen gebruik meer van maken.



288

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.