zwaarlijk een ambacht worden genoemd en het is voorts niet verwonderlijk dat zij op de straat hun werk doen, wijl het toch moeilijk elders zou kunnen geschieden.
Tot de werkelijke ambachten, op straat uitgeoefend, moet in de eerste plaats het hoefsmeden worden gerekend. In sommige gevallen had de smederij een geheel open front; vlak vooraan in de smidse bevond zich dan de inrichting waar paarden van hoefijzers werden voorzien. Maar talrijker waren de smederijen, buiten welke, op de straat, een soort van open huisje stond, waarin het paard de kunstbewerking onderging. Men vond dergelijke werkplaatsen niet slechts in zijstraten, doch op de drukste punten. Zoo heeft schrijver dezes er een gekend op de Botermarkt (Rem-brandtsplein) waar hij geboren is en zijn jeugd heeft doorgebracht. De smederij stond ter plaatse waar zich thans het Café de Kroon bevindt. De smid was er een zooals men zich een beoefenaar van dat vak voorstelt, een reus, die Longfellow voor oogen kon hebben gestaan, toen hij schreef:
„The smith, a mighty man is he,
With large and sinewy hands.”
Hij heette Bel. Alle jongens uit de buurt hadden voor hem den diepsten eerbied en de grootste bewondering. Zij konden nooit genoeg krijgen van het fantastische schouwspel, de vlammende kolen op den haard, Bel achter zijn aambeeld, het rood-gloeiende smeedstuk houdend in een tang, de knecht die er met zijn geweldigen voorhamer vonkenregens uit sloeg, Bel, die, met een kleineren hamer snel en fel slaande, het werkstuk fatsoeneerde en het, na voltooiing, bevestigde aan den paardenhoef; de weinig aangename geur van smeulende of brandende organische stof, waarmede dit gepaard ging, deerde den jongens natuurlijk niet in het minst. Toen De Kroon zou gebouwd worden, verdween de smidse en daarmede de smid, dien schrijver jaren later terugvond als kastelein van De Gooische Boer, de welbekende uitspanning aan den Rijksweg, bij Bussum, vol heimwee naar zijn oude beroep.
In schrijvers jeugd werd bij hen, die niet in staat waren hun linnengoed naar ’s Gravelandsche of andere bleekers ter reiniging te zenden, de wasch aan huis gedaan, hetgeen geschiedde in kuipen. Daar deze toestellen van tijd tot tijd herstelling behoefden, waren er in de stad ettelijke ambulante kuipers, die, voorzien van de noodige gereedschappen en onderdeden, in de volksbuurten huis aan huis vroegen of er iets viel te kuipen. Als ergens hun hulp noodig was, werd de kuip naar beneden gehaald en op de stoep werd dan de herstellingsarbeid verricht, gewoonlijk ten
287