wateren. Degenen vooral, die zich vermeien met kano’s en andere kleine vaartuigen, kennen meestal de natuur niet, hebben er zelden eerbied voor en vernielen haar, wellicht niet opzettelijk, doch in onkunde en gedachteloosheid. Zij vernielen de prachtige en onmisbare rietkragen, verjagen vogels en dieren en begaan, wetend of onwetend, allerlei andere vandalismen. Vele wateren hebben dan ook, sinds de watersport bloeit en de kano-rage woedt, hun karakter en schoonheid verloren — met het Kinsel-meer gaat het denzelfden kant uit.
Gelukkig ligt ten zuiden van en vlak bij het Kinselmeer de buitenpolder IJdoorn, die even voorbij Durgerdam als een kaap in de Zuiderzee uitsteekt. Hij staat onder de hoede der Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten en is dus een sanctuary, een veilige toevlucht voor al wat in het wild leeft en tiert.
Het polderlandschap vlak bij de stad heeft veel van zijn bekoorlijkheid verloren. Het noodlot, in de gedaante van steeds voortgaande bebouwing, werpt zijn schaduwen vooruit. Het is overal om de stad heen rommelig. De eertijds prachtige weg langs den Amstel is voor een groot deel van linten andere bebouwing voorzien en men moet een heel eind de stad achter zich laten, wil men nog iets van de oude intieme schoonheid vinden. Het begin van de Kalfj eslaan, bij den Amstel, is eveneens met lintbebouwing uitgerust en aan het andere einde is een Nieuwer-Amstelsche stad ontstaan. De vroeger zoo mooie Amstelveenscheweg is van de stad tot de Kalfjeslaan een onrustige stadsstraat geworden; hij wordt nu bovendien zeer verbreed, hetgeen er op neerkomt, dat zij haar oude karakter geheel zal verliezen en voor oude Amsterdammers onherkenbaar zal worden. Het omringende polderlandschap deelt in deze radicale verandering van de twee schilderachtigste toegangswegen tot de stad. De spoorwegwerken, met inbegrip van den fameuzen ringbaandijk, over welken reeds gesproken werd, hebben weer nieuwe stukken polder gedenatureerd. Van de stad tot voorbij Duivendrecht is het bijna onafgebroken lintbebouwing, die het polderlandschap maskeert. Men moet dus vrij ver van de stad gaan, om het in zijn heerlijkheid te vinden. En zelfs waar zij nog vrijwel ongerept zijn, zooals het geval is met de Aetsveldsche en Broekerpolders, in den driehoek Weesp, Nichtevecht en Hollandsch Ankeveen, heeft het Provinciaal Electrisch Net er heele reeksen eiffeltorens in gepoot, die het genot der aanschouwing grondig bederven, zooals de Geldersche instelling het in even uitgestrekte als prachtige gebieden in Gelderland doet. Maar in de stad zelve valt, zij het ook uiteraard niet op groote schaal, van de natuur te genieten. Daar zijn, bijvoorbeeld, de vogels. In schrijvers
ï8 273