De wethouder, die als Urheber van het satellietstad-plan werd aangewezen, heeft thans zitting in het Bestuur der Stichting en waakt mede over het behoud van het heerlijke stuk natuur, dat hij, zekerlijk met de beste bedoelingen bezield, met huizen, zij het dan in wat men noemt open bebouwing, had willen bedekken. Misschien is het wel zijn denkbeeld geweest, dat eenigen natuurbeschermers aanleiding heeft gegeven tot het initiatief, waardoor de Stichting is tot stand gekomen. Ook Bileam ging uit om te vervloeken en kon niet anders dan zegenen. Zoo herhaalt zich de geschiedenis, ook de oudste, zelfs na vele eeuwen.
Natuurschoon. Nu het Gooi, dat men wel eens den Tuin van Amsterdam noemt, ter sprake is gekomen, is het niet ongepast de vraag te stellen: wat bezit Amsterdam en zijn naaste omgeving aan natuurschoon?
De oppervlakkige zal hier allicht snel en met beslistheid antwoorden: hoegenaamd niets. Wij hebben immers geen zee, geen strand, geen duinen, geen bosschen, als, bijvoorbeeld, ’s Gravenhage; om van zulke dingen te genieten, moet men ten minste vijf en twintig ofdertig kilometer van huis gaan. Prof. Brugmans, Amsterdams historicus bij uitnemendheid, schreef eens het volgende:
„Het is een oude klacht, dat Amsterdam geen omstreken heeft. Die klacht is begrijpelijk, maar ongegrond. Stellig, wanneer men onder natuurschoon, zooals men dat veelal doet, alleen verstaat bosch en heide, duin en zee, dan biedt de onmiddellijke omgeving van de hoofdstad niet al te veel. Voor wie tegenwoordig naar buiten gaat, zijn de omstreken van Amsterdam het aankijken blijkbaar nauwelijks waard.
Maar dat is vroeger anders geweest en is ook nu nog anders. Duin en heide vond men vroeger onvruchtbaar zand; schoonheid en vruchtbaarheid, weligheid en natuurschoon waren nauw in gedachte en gevoel der menschen verbonden. Onze groene weiden, onze golvende korenvelden, ons kreupelhout en onze slooten, ons groot en klein vee, onze boerderijen, niet te vergeten onze molens, waren voor ons voorgeslacht van een zeer bijzondere aantrekkelijkheid. Zocht de oude Amsterdammer de natuur op, dan vond hij die in zijn onmiddellijke nabijheid, in de Watergraafsmeer, aan den Amstel, aan de Vecht. En onze schilders van alle eeuwen hebben ook niet minder in ons polderland dan aan de zee en in het bosch Hollands schoon gezien en afgebeeld. De fijnheid van het Hollandsche polderlandschap, met den hoogen hemel daarboven, heeft den Nederlandschen schilder altijd geboeid. Zoo zal de omgeving van Amsterdam hem altijd blijven boeien, die het Hollandsche natuurschoon mint.”
271