dus maar op los. De overheid liet vrijwel alles gaan zooals het wilde. Architecten waren bij de smartbouwerij niet betrokken. En zoo ontstonden de nare „pijp-buurten”, met hunne portieken, onverlichte trappen, alco-ven, zijkamertjes en keukentjes en zolderkamertjes, alles akelig confectiewerk, zoodat de straten van een hopelooze eentonigheid en doodelijke somberheid werden.
Hetgeen aldus werd gewrocht, was, hoe stumperig ook, oneindig beter dan de kelder- en de krotwoningen van de oude stad. Maar werkelijke vooruitgang werd eerst verkregen toen de bouwverordening werd verscherpt en o.a. aan lichtlooze trappen en alcoven een einde maakte en zeker toen de Woningwet haar heilzamen invloed ging uitoefenen. Kelders en krotten konden nu onbewoonbaar worden verklaard en zij werden het ook. Behoorlijke uitbreidingsplannen konden worden ontworpen. Van gemeentewege en met hulp of onder waarborg van staat en gemeente kon worden gebouwd. Woningbouw-Vereenigingen werden nu opgericht, op geheel anderen grondslag dan de in den aanhef genoemde. Zij en de gemeente schiepen de fraaie wijken van het nieuwe Oost, Zuid, West en Noord, over welke elders reeds werd gesproken. Krotbuurten als Marken, Uilenburg, de Jonker- en Ridderstraten, werden geheel of grootendeels opgeruimd. Tuindorpen werden gesticht. Bijzondere groepen huizen voor oude lieden, alsmede voor toezicht behoevende gezinnen werden gebouwd. De meergenoemde crisis, die dwingt tot even betreurenswaardige als onvermijdelijke beperking van gemeentelijke bemoeiingen, vooral van socialen aard, heeft deze behandeling van de volkshuisvesting vertraagd. Zoo is er, bij voorbeeld, uit dezen hoofde nog maar zeer weinig van de voorgenomen en dringend noodige „saneering” van den Jordaan verwezenlijkt. Maar men mag op goede gronden aannemen, dat zij, en meer van dezen aard, krachtdadig zal worden ter hand genomen, zoodra er weer een gunstige wind waait over ons land en over onze stad.
Welk een groote vooruitgang op het stuk van de volkshuisvesting ook werd verwezenlijkt, zoo mag echter niet worden verzekerd, dat het ideaal is bereikt. Men heeft zeer zeker mooie huizenblokken gebouwd, vaak met centrale tuinen, kinderspeelplaatsen enz. Maar het is een fout, dat verreweg de meeste zonder centrale verwarming en voorziening met warm water zijn gebleven. Er is meer, doch het te behandelen zou een excursie op het gebied van de woningpolitiek in haar geheelen omvang noodig maken, waarbij het Hooger Bestuur niet buiten bespreking zou kunnen blijven — iets, waarvan, om voor de hand liggende redenen, hier geen sprake kan wezen.
269