geen gebrek aan groen, want de vroedschap zorgde royaal voor beplanting van nagenoeg alle grachten, vrijwel uitsluitend met iepen, de beste boom voor de stad, daar hij vrij snel groeit, het hout niettemin sterk is, een fraaie kruin vormt, een monumentalen indruk maakt en tegen vele wederwaardigheden bestand is. Ongelukkiglijk is hij in den laatsten tijd onderhevig aan een ziekte, die alom den olm vernietigt en ook in de stad vele slachtoffers heeft gemaakt. Later heeft men hier en daar, vooral in de nieuwe wijken, ook wel andere boomen geplant: verschillende eschdoorn-soorten, platanen, acacia’s, vleugelnoot, haagbeuk enz. Iets bijzonders op dit gebied is de geweldige wilgeboom in het plantsoentje aan het begin van de Plantage Muidergracht, tegenover den Hortus.
In de 19de eeuw werd aan plantsoenaanleg meer zorg besteed. Enkele gedeelten van de geslechte omwalling werden in parkjes veranderd; het Weteringplantsoen is daarvan het beste voorbeeld. Het Frederiksplein werd als plantsoen aangelegd, de Botermarkt in een plantsoen veranderd. Verschillende geschikte plekjes werden parkjes: Prins Hendrikkade tegenover het Centraal Station, Roetersstraat tusschen Nieuwe Prinsengracht en Nieuwe Kerkstraat enz. Zelfs het gedeelte van den Dam, vrijgekomen door afbraak van het Commandantshuis enz., werd, toen allerlei bebou-wingsplannen op niets waren uitgeloopen, met plantsoen begiftigd. Verder werden drie tamelijk groote parken aangelegd: het Sarphatipark, het Oosterpark en het Westerpark. Daarna twee boschachtige parken aan den overkant van het IJ. Een groot park ten zuiden van de Apollo-laan en een vrij uitgestrekt bosch in het Zuid-Westen zijn in aanleg. En er is ook een parkachtig terrein in de omgeving van het Nieuwe Diep (ouden Amsterdammers bekend als ,,’t Zuiersoppie”, niettegenstaande het in het NoordOosten ligt).
Aan dit alles is voorafgegaan de stichting van het eerste groote park, hetgeen echter niet van overheidswege is geschied. In 1864 richtten eenige Amsterdamsche heeren, met het loffelijk doel te voorzien in het toen zeer nijpende gebrek aan groene plekken, de Vereeniging tot Aanleg van een Rij- en Wandelpark op. Reeds in 1865 kon het eerste gedeelte, van de Stadhouderskade tot ongeveer het Melkhuis, in gebruik worden genomen. In 1865 werd er het standbeeld van Vondel geplaatst, naar wien van die stonde af het park werd genoemd. Het werd gaandeweg vergroot tot zijn tegenwoordigen omvang. In den jongsten tijd werd het, door den arbeid van jeugdige werkloozen, verrijkt met een prachtig rosarium.
De nieuwe groote verkeerswegen in Zuid, de Amstellanen en de Apollo-laan, zijn in werkelijkheid uitgestrekte plantsoenen, rijk aan boomen,
266