Gebieds-uitbreidingen. Het oudste Amsterdam, dat uit een document van 1342 bekend is, lag tusschen de Voorburgwallen, werd later vergroot tot de Achterburgwallen, verbonden door Spui en Grimburgwal, en in de tweede helft der 15de eeuw binnen de toen gebouwde omwalling: Gelderschekade, Kloveniersburgwal, Amstel en Singel. Daarvan bezitten wij de geschilderde en in hout gesneden kaarten van Cornelis Anthonisz. Er volgden nog vier of vijf vergrootingen. De laatste, in eenige etappes gedurende de 17de eeuw tot stand gebracht, lag binnen de bemuring, welker beloop was dat van de tegenwoordige Nassaukade, Stadhouderskade en Mauritskade. Het grondgebied der stad was echter grooter. De grens was ongeveer van den Immetjeshorn aan het IJ, dwars door de tegenwoordige Indische buurt, Vrolikstraat, Grensstraat, Ceintuurbaan, Boerenwetering, Van Baerlestraat, dwars door het Vondelpark langs het Paviljoen, dwars door het Wilhelmina-Gasthuis, naar de Tolbrug voor den Admiraal de Ruyterweg, Kostverlorenvaart, dwars door de Gasfabriek en zoo tot liet Noordzeekanaal. In 1896 volgde een nieuwe vergrooting en daarna nog eene, waarbij de Watergraafsmeer en Sloten werden ingepalmd, de Kalf-jeslaan de zuidelijke grens werd, de grenslijn in het Westen vlak bij Halfweg kwam te liggen, en ook de dorpen benoorden het IJ, in t en vorige paragraaf genoemd, werden opgeslokt.
Het grondgebied der stad werd aldus aanzienlijk vergroot, waardoor ruime gelegenheid tot uitbreiding van bebouwing en aanleg van parken en bosschen enz. ontstond, van welke ruimschoots gebruik wordt gemaakt, o. a. door den aanleg van een vrij groot bosch, met roeibaan, waterpartijen, sportvelden, speelweiden enz., in het Zuid-Westen.
De groote uitbreiding naar het Westen schijnt te zijn geschied met het oog op den aanleg van havens. Men heeft daar dan ook een begin mede gemaakt door het graven van de Coenhaven. Of de scheepvaart van Amsterdam den aanleg van meer havens zal vorderen, kan alleen de toekomst leeren; aan voorspellingen dienaangaande, gunstige of ongun-tige, kan men zich niet wagen. Maar hoe zich dit ook moge ontwikkelen, zoo kan men zich niet ontveinzen, dat men te veel naar het Westen, te weinig naar het Oosten heeft gezien. Weliswaar heeft men de geheele Watergraafsmeer bij de stad gevoegd, doch wie den Middenweg achter zich heeft en de Hartsvelderbrug oversteekt, bevindt zich dadelijk in een stadje: Diemerbrug, in het niet zeer verre verleden een onbeteekenend gehucht, doch dat nu stads-allures aanneemt, pal tegen de grens van Amsterdam. Op den duur zal men Diemen toch moeten annexeeren, maar dan zal men te maken hebben met al de bezwaren, die een gebrek
254