maanschen oorsprong; zoo is ons visch in het Deensch fisk. Het is dus geenszins onmogelijk, dat de echte Jordaner in zijn sk de oorspronkelijke uitspraak heeft bewaard. In het Middel-Nederlandsch kwam visch trouwens als visc en vesc voor.
Een andere eigenaardigheid is het uitspreken van de z als een scherpe s: hij seit wat — daar sit-ie in de saai — hij kan niet sien. Curieus is de uitspraak van het woord zakdoek: saddoek — de k wordt niet gehoord. De v wordt uitgesproken als/, hetgeen echter nagenoeg algemeen te Amsterdam en ook elders geschiedt.
Het is niet mogelijk haar met de ten dienste staande letterteekens weer te geven. Zulke dingen moet men hooren. Wel kan worden gezegd, dat de ij gewoonlijk wordt vergrofd tot een ietwat dikke keel-a. De a zelf ondergaat een soortgelijk proces, doch wordt ook in bepaalde woorden scherp uitgesproken. Van de tweeklanken wordt ui het ergst mishandeld, afgeplat en vergrofd. Oe blijft onveranderd, behalve in moeten, dat motte wordt, de o dof uitgesproken.
Een enkele maal wordt we veranderd in me: dat motte me niet doen — dat salie me wel late. De n op het einde van werkwoorden en hunne vervoegingen wordt evenmin uitgesproken als die van het meervoud. Bij de vervoeging van werkwoorden, die niet op en eindigen, komt achter de n een e: Daar stane ze nou — daar gane me niet na toe.
Er komen in de Amsterdamsche volkstaal vele aan het Jiddisch ontleende woorden en uitdrukkingen voor, die er uiteraard ten vroegste in de tweede helft van de 17de eeuw in gekomen kunnen, doch waarschijnlijk niet voor de 18de in gekomen zullen zijn. De Portugeesche en Spaansche Joden, die hier tegen het einde van de 16de eeuw aankwamen, spraken geen Jiddisch, kenden het zelfs niet. De Duitsche en Poolsche Joden stroomden eerst veertig of vijftig jaren later hierheen, doch het zal wel zeer lang hebben geduurd voor de omgang met hen van zulken aard was geworden, dat Jiddische woorden in de Amsterdamsche volkstaal werden opgenomen. Sinds geruimen tijd echter zijn zij daarin vrij veelvuldig. Zoo bajes (He-breeuwsch bajies, eigenlijk huis, gewoonlijk gebruikt in den zin van gevangenis) ; gooser (Hebreeuwsch gooson, bruidegom, gebruikt in de betee-kenis van vent, jongen, rekel); heitje (Hebreeuwsche letter hei, getalwaarde vijf, gebruikt voor kwartje = vijf stuivers); meier (Hebreeuwsch meio, honderd, gebezigd voor bankbiljet van honderd gulden) jouker (Hebreeuwsch, duur); kauser (Hebreeuwsch koosjer, rein, in orde, betrouwbaar); gannef (Hebreeuwsch, dief); jajem (Hebreeuwsch jajin — wijn, gebruikt in den zin van sterken drank, jenever); niesie (Hebreeuwsch iesjoo = vrouw; ver
246