Amsterdamsche taal. Elk land heeft zijn taal. Er zijn zelfs landen, die meer dan één taal hebben. België heeft Vlaamsch en Fransch, eigenlijk ook Waalsch, en na den oorlog zelfs Duitsch als landtalen. Zwitserland heeft Duitsch, Fransch, Italiaansch, Rhaeto-Romaansch. Frankrijk heeft slechts een officieele taal, het Fransch, doch groote bevolkingsgroepen bedienen zich van het Bretonsch, het Baskisch, het Provencaalsch enz. Engeland heeft natuurlijk zijn Engelsch, maar het geheele prinsdom Wales spreekt zijn oude Keltische taal, het Welsh. In Nederland is de taal het Neder-landsch, maar de meerderheid der Friezen gebruikt het Friesch als omgangstaal en Groningers en Limburgers spreken wat men eigenlijk wel talen zou mogen noemen. Maar afgezien van de talen, worden in elk land tallooze dialecten gesproken en hetzelfde kan van vele steden worden gezegd, zeker van de groote, die door de eeuwen heen een eigen, zelfstandig leven hebben geleefd, zonder veel aanraking met de haar omringende streken.
Zoo is het ook met Amsterdam gesteld. Er is niet alleen een Amsterdamsche tongval, aan welken men den beschaafd sprekenden Amsterdammer kan herkennen, maar er is ook een bijzonder Amsterdamsch volksdialect, of liever: er zijn verschillende zulke dialecten, in de verschillende volkswijken, die in allerlei opzichten van elkander afwijken.
Het heeft met vele soortgelijke buitenlandsche dialecten dit gemeen, dat het in wat men noemt beschaafde ooren niet fraai klinkt. Het Engelsch van den cockney, den oer-Londenaar uit de volksbuurten, is alles behalve welluidend, en ook het taaltje van den echten Berlijner is in dit opzicht beroemd.
Het ligt niet in de bedoeling hier een dialectkundige verhandeling te geven over hetgeen de provinciaal, door iederen rechtgeaarden Amsterdammer uit de hoogte een „buitenman” genoemd, het Hoog-Haarlemmerdijksch noemt — schrijver dezes zou daartoe trouwens niet bevoegd zijn. Maar aan eenige kenmerken mag een enkel woord worden gewijd.
Het is niet onmogelijk, dat hetgeen tegenwoordig als onbeschaafde uitspraak geldt, voorheen de werkelijke en algemeene uitspraak is geweest. De waarschijnlijkheid is groot, dat bij het eertijds vrijwel geheel ongeletterde volk, dat buiten aanraking stond met de ontwikkeling van de taal, met de letterkunde en weinig of geen omgang had met aanzienlijken en beschaafden, vele woorden, die als verouderd golden, in gebruik bleven en ook veel van de oude uitspraak achterbleef. In het Amsterdamsche volksdialect wordt de gehoorde ch veelal uitgesproken als k: skiet nou op — skei nou uit. Dit geschiedt nog altijd in verwante talen van Ger-
245