nooit een bezoek aan deze beide brachten. Maar in de stad bevinden zich verder: het Museum Fodor, Keizersgracht 609; het Museum Willet-Holthuysen, Heerengracht 605; het Amsterdamsch Historisch Museum, in de St. Anthoniespoort op de Nieuwmarkt; het Museum van den Arbeid, Rozengracht 224a, hoek Marnixstraat; het Nederlandsch Schoolmuseum, Prinsengracht 151; het Nederlandsch Historisch Scheepvaartmuseum, Cornelis Schuytstraat 57, hoek De Lairessestraat; het Veiligheidsmuseum, Hobbemastraat 22; de Musea van het Koloniaal Instituut, Mauritskade 62; de Musea van Artis; het Zoölogisch Museum en het Diorama van de Heimans-stichting, beide in het Aquarium-gebouw, Plantage Midden-laan; het Allard Pierson-museum, Sarphatistraat 129; het R. K. Museum De Amstelkring, in het huis van de voormalige schuilkerk Onze Lieve Heer op folder, O. Z. Voorburgwal; de verzameling van het Stedelijk Archief, Amsteldijk hoek Tolstraat; het Bijbelsch Museum, Stadhouderskade 137; alsmede vele particuliere, voor het publiek toegankelijke verzamelingen. Zonder overdrijving mag worden gezegd, dat verreweg de meeste Amsterdammers deze musea nooit hebben betreden, zelfs van het bestaan van zeer vele onkundig zijn. En hoevelen hunner zouden ooit hebben gehoord van den Atlas-Splitgerber, in het Museum Fodor, en van den Historischen Atlas, in het Stedelijk Archief?
Deze atlassen zijn verzamelingen van afbeeldingen, teekeningen, etsen, gravures, aquarellen enz. van de stad, omvattende den geheelen duur van haar bestaan, en van letterlijk alles, dat op de stad betrekking heeft. Het zijn aanschouwelijke cursussen in de geschiedenis van Amsterdam, even leerrijk als schoon, even onderhoudend als boeiend en belangwekkend. De Amsterdammer, die in zijn stad belang stelt en deze met zorg en liefde bijeengebrachte collecties niet heeft gezien, vermoedt niet wat hij heeft gemist.
Er zijn ook prachtige particuliere verzamelingen van dezen aard, o. a. die van de heeren J. van Eek, A. A. Kok, W. J. R. Dreesmann, Ghr. van Eeghen, J. G. van Regteren Altena e. a. Maar wie zijn stad liefheeft, belang stelt in haar verleden, begeerig is te weten hoe zij zich in het verleden heeft voorgedaan, welke veranderingen haar uiterlijk heeft ondergaan, hoe men haar heeft behandeld en mishandeld, hoe men er heeft geleefd, gewerkt, zich vermaakt en wat niet al, behoort in elk geval de beide genoemde openbare verzamelingen te kennen, althans in oogen-schouw te nemen.
De oude stadskern wordt hoe langer hoe meer city. Met deze zonderlinge uitdrukking bedoelt men, dat zij, evenals met de City of London, het oude,
243