Amsterdam een hondenkar kende, en nog wel een gemeentelijke, doch van geheel anderen aard. Het gemeentebestuur had besloten tot invoering van een hondenbelasting. De dieren, voor welke deze belasting was betaald, werden voorzien van een, aan den halsband te dragen, penning. Aanvankelijk betaalden velen deze belasting niet. Om nu dit euvel tegen te gaan, doorkruisten twee mannen met een gesloten kar, niet ongelijk aan een groote bakkerskar, de stad. Zij vingen alle niet van penningen voorziene honden op en stopten deze dieren in de kar. De aldus gevangen honden werden afgemaakt, naar beweerd werd door de kar met haar levenden inhoud te water te rijden. Aan dit schandaal werd echter na betrekkelijk korten tijd een einde gemaakt.
De lommerd. Van der Vijver schrijft: „Reeds in de dertiende eeuw hadden zich eenige Italianen herwaarts begeven, onder het masker van koophandel te drijven, doch met oogmerk om aan behoeftigen, tot hoogen interest, geld te schieten. Zij werden in de veertiende en vijftiende eeuw, gemeenlijk, Lombarden of Lombaarden geheeten, omdat de meesten uit Lom-bardije herwaarts gekomen waren. In 1614 geweerd zijnde, alzoo het bleek, dat zij jaarlijks meer dan 33 ten honderd interest van de beleende panden namen, aanvaardde de Stad de Bank van Leening, om tot veel lageren interest panden te beleenen, en beschikte daartoe, sedert de jongste uitlegging, eenige gebouwen op den Oudezijds Voorburgwal...” In deze fraaie i6de-eeuwsche gebouwen, aan O.Z. Voorburgwal, Lombardsteeg en Nes, waar ook Vondel ambtenaar is geweest, is nog steeds de Bank van Leening gevestigd. In den loop der tijden werden in verschillende wijken der stad hulpbanken gevestigd. Want van deze banken werd druk gebruik gemaakt. Zeer verbreid was de, stellig uit nood voortgekomen, gewoonte, des Maandags de Zondagsche kleederen te verpanden en ze des Zaterdags te lossen. Maar niet alleen armen maakten van den lommerd gebruik. Vaak beleenden kooplieden er allerlei goederen, diamanten, parelen, oostersche tapijten, bont enz. In den jongsten tijd is een aanmerkelijke verandering ingetreden. Er wordt zeer veel minder gebruik van den lommerd gemaakt dan voorheen. Eenige hulpbanken moesten dan ook worden opgeheven. Het bedrijf is zoodanig ingekrompen, dat het bankpersoneel thans ternauwernood een derde telt van hetgeen het eenige jaren geleden omvatte.
Buiten en behalve de Stads Bank van Leening kende men tal van door particulieren gehouden pandjeshuizen, van welke veel gebruik werd gemaakt, omdat zij „meer gaven” dan de officieele Bank, waar echter
240