Sarphati, in 1813 geboren, geneesheer en pharmaceut, als hoedanig hij de nog bestaande Maatschappij tot Bevordering der Pharmacie stichtte, was, zoo zegt Brugmans, „een man van sterke verbeelding, die toekomstige mogelijkheden kon voorzien en daarvoor plannen kon ontwerpen... Hij had de zeldzame gave van tegelijk idealist en man der practijk te zijn: zijn scherp verstand onderkende niet alleen de mogelijkheid van wat zijn fantasie hem had voorgetooverd, maar ook de middelen daartoe... Hij wilde Amsterdam omhoog stuwen en het daardoor weer de oude positie hergeven, die het in onze gouden eeuw had bezeten... Een plannenmaker heeft men hem genoemd, maar daarbij vergeten, dat hij zijn plannen heeft weten door te zetten en dat zeer veel van zijn goede werken hem hebben overleefd.”
Tot zijne stichtingen behooren de Handelsschool, de Nationale Hypotheekbank, de Maatschappij van Landbouw, de Nederlandsche Crediet-en Handelsbank, het Amstel-Hotel, de Meel- en Broodfabriek (Vijzelgracht) en het Paleis voor Volksvlijt (architect Cornelis Outshoorn, die ook het Amstel Hotel en het Joodsche Jongensweeshuis in de Zwanenburgerstraat heeft gebouwd), waarmede hij bedoelde „de vaderlandsche nijverheid te bevorderen door het houden van tentoonstellingen en het verspreiden van goede en gezonde denkbeelden op economisch gebied.” Aan Sarphati is ook de reorganisatie en verbetering van de openbare reiniging der stad te danken, voor welk doel hij een maatschappij stichtte, die van het Stadsbestuur concessie kreeg. Nevens dit alles moet vooral worden genoemd, dat hij den stoot gaf tot de nieuwe vergrooting der stad buiten de vest, voor welke hij plannen ontwierp, die, waren zij ten uitvoer gelegd, ons zouden hebben bevrijd van de ellendige „pijp”-buurten, die het oude Amsterdam omsluiten in een gordel van sombere leelijkheid.
Nu S. W. Josephus Jitta, aan wiens energie voornamelijk de totstandkoming van het Noordzeekanaal, dat Amsterdam van den ondergang redde, is te danken.
De eigenlijke ontwerper van het kanaal was de genie-officier W. A. Froger. De aanleg van deze verbinding der stad met de Noordzee ondervond veel tegenkanting, vooral uit ’s Gravenhage en o. a. van het Departement van Oorlog. Na allerlei geharrewar scheen in 1860 verwezenlijking nabij; de Regeering maakte een wetsontwerp „tot verbetering der waterwegen van Amsterdam en van Rotterdam naar zee” bij de Staten-Generaal aanhangig. Het is nimmer wet geworden. Thorbecke diende in 1862 een nieuw wetsontwerp in, dat een jaar later wet werd. Na veel moeite slaagde men er in de Kanaalmaatschappij te stichten. Josephus Jitta behoorde tot
231